zaterdag 4 september 2010

Over de letterlijke waarheid van de Bijbel - Mr M.P. Medema

In verband met een discussie bij mijn stuk over het millennium, waarbij ik verzuchtte dat de discussie over 'de bijbel letterlijk nemen' volgens mij een evangelicale dead end is, was Henk Medema zo vriendelijk deze bijdrage (eerder verschenen in Ellips) op te sturen.

WAT IS LETTERLIJK WAAR?
OVER DE LETTERLIJKE WAARHEID VAN DE BIJBEL
MR H.P. MEDEMA


Dat de bijbelse geschiedenissen geen verhaaltjes zijn, niet gefantaseerd maar echt gebeurd, drukken wij vaak uit met de formulering dat het allemaal “historisch” en “letterlijk” waar is. Wat bedoelen we daar eigenlijk mee? In een vorig artikel hebben we gezien hoe de auteurs van de Schrift dachten over geschiedschrijving. Nu gaat het over de vraag wat “letterlijk” betekent voor de waarheid van het geschreven Woord van God.

Letterlijk en figuurlijk
“Het woord letterlijk wordt vaak figuurlijk gebruikt” — een interessante stelling die onlangs bij een proefschrift werd gedebiteerd. En het is waar: we zeggen bijvoorbeeld “Piet ging letterlijk uit zijn dak”, maar we bedoelen daarmee niet dat hij de bovenste afdichting van zijn huis doorkliefde, maar dat hij wérkelijk heel erg opgewonden was. Kortom, we bedoelen wat we figuurlijk zeggen, maar zetten daaraan kracht bij met het woord “letterlijk”.

Wat is dat eigenlijk, letterlijk? Wat betekent het letterlijk? Volgens het woordenboek is het: “overeenstemmend met de letters, met het geschrevene precies zoals het er staat, zonder de minste afwijking of vrijheid” (Van Dale).

“Letterlijk” zegt iets over de tekst, en over de manier waarop wij de tekst moeten lezen. Dat “letterlijk” niet hetzelfde is als “reëel bestaand” of “historisch bestaand hebbend” wordt fraai geïllustreerd door "Tlön, Uqbar, Orbis Tertius," een verhaal van Jorge Luis Borges, waarin deel 11 van de encyclopedie van een niet bestaand land wordt ontdekt. Maar terwijl het land niet bestaat, moet de tekst van de encyclopedie wel letterlijk worden opgevat, en die is onderworpen aan een strikte en nauwgezette innerlijke logica. Een ander voorbeeld: als ik zou zeggen dat ik deze regels schrijf vanuit de honderdste verdieping van het World Trade Center in New York, moet dat letterlijk worden opgevat. Maar het zou, zoals elke lezer weet, wel een leugen zijn. Ook leugens kunnen letterlijk worden opgevat, en juist in die letterlijkheid zijn ze vaak wat ze zijn: leugenachtig.

Hoe een verhaal langzaam kan verglijden, na een begin dat men (althans, dat mag de lezer dan nog vermoeden!) letterlijk kan opvatten, blijkt uit Umberto Eco’s recente roman Baudolino. Aanvankelijk geloof je nog: dit zal wel waar wezen, en later denk je: het kán nog waar zijn. Naarmate het verhaal vordert, begin je te denken: dit is ál te fantastisch, dit kan niet meer — maar het lastige is: dan weet je nog niet wat je geloven moet. Is het historisch? Is het letterlijk? Geen van beide? Eco zet zijn lezers op het verkeerde been, en ze weten dat, maar ze kennen de oplossing niet.

Figuurlijkheid, een toevluchtsoord voor modernisten

Wat doe je als je Baudolino leest, en je merkt dat steeds meer elementen niet meer letterlijk kunnen worden opgevat, noch met historische standen van zaken kunnen corresponderen? Je concludeert dat er ófwel letterlijke leugens staan, óf figuurlijke waarheden. Wat de modernistische theologie met de Bijbel heeft gedaan, was, heel beleefd en vriendelijk, het laatste. Als de “wetenschap” kwam aandragen met “feiten”, dan capituleerde men terstond, en hees men ook de witte vlag over het letterlijke verstaan van de Schrift. Wetenschappers zouden het wel weten, dus het zou wel niet letterlijk waar zijn. Figuurlijk dan maar. Want zo simpel is het: “figuurlijk” is, zoals Van Dale zegt, gewoon “niet letterlijk”.

Zo werd “figuurlijk” opvatten tot een vluchtroute, omdat de andere weg onbegaanbaar leek. We horen dan Labuschagne spreken over zijn vroegere opvattingen als “mijn godsvoorstelling, gebaseerd op een letterlijk opvatten van wat in de bijbel staat”. Dat kan niet meer, denkt de modernistische theoloog. Je kunt het niet meer verklaren, en dus kun je het niet meer geloven, en dan moet het maar figuurlijk worden opgevat. Maar wie heeft ons, om maar eens bij het begin te beginnen, verteld dat alles verklaarbaar moest zijn alvorens we het konden geloven? (Het is navrant dat twee van de grootste Joodse denkers rond de vorige eeuwwisseling daar radicaal verschillend over dachten. Freud zei: alles is verklaarbaar. Kafka zei: niets is verklaarbaar.

En wie heeft ons wijsgemaakt dat de exegese van een tekst wordt bepaald door ons geloof of ongeloof ten opzichte van de inhoud? Zeker, het is zeer boeiend een diepgaand onderzoek te verrichten naar het literaire genre van een tekst, maar waarom zou daarmee de mogelijkheid uitgesloten worden dat het beschrevene een werkelijke stand van zaken weergeeft? Waarom moeten we kiezen, waarom zou het niet allebei zijn, én geschiedbeschrijving van een integraal werkelijkheidsgehalte, én een bepaald literair genre? Ik denk inderdaad dat daar het probleem zit van het modernisme: het is een hardnekkige poging om weg te vluchten van het realiteitsgehalte van de beschrijving. Die vluchtroute wordt vaak genomen door te postuleren dat het om andere genres gaat, maar dat is nogal een kromme denkwijze, lijkt me.

Letterlijk of figuurlijk: onbevangen lezen
Gelukkig hoeven we ons niet al te druk te maken over het literaire genre dat we aan het lezen zijn. De meesten van ons, bijna allemaal, zijn “gewone” lezers. Zelfs degenen die zich in een bepaald wetenschappelijk vakgebied bekwaamd hebben, zijn als ze zich tot de Bijbel wenden “gewone” lezers: ze hebben geen speciale literatuurwetenschappelijke training, en als ze die wél hebben, behoort dat hun gedachten niet in beslag te nemen.

Zeker is het meer dan zinvol om je erin te verdiepen hoe bijzonder de Schrift ook in dit opzicht is, als literatuur. Maar we lezen de Bijbel onbevangen, dat proberen we althans. We laten ons “meenemen” in de woorden, de zinnen, de geschiedenis. Als de tekst een vraag opwerpt (bijvoorbeeld: zullen de vijgebladeren van Adam en Eva voor God acceptabel zijn? Of: zal Kaïn vergeving ontvangen voor de moord op zijn broer?) dan worden we geacht met de Schrift mee te denken, en op het puntje van onze stoel mee naar de oplossing te zoeken. Maar als de tekst geen vraag opwerpt, niets problematiseert (er groeien bomen in de Hof, er spreekt een slang, de avondkoelte treedt in, enz.), dan moeten wij in eerste instantie gewoon alles tot ons laten komen zoals het gezegd wordt.

We aanvaarden dat, het is zo. Zo wordt het ons gezegd, zo is het gebeurd. We geloven het. We beginnen niet met het opwerpen van onze eigen problemen, en we gaan niet, als de tekst daar niet tegen bestand lijkt, gauw op de vlucht in een figuurlijke interpretatie, wat dat dan ook moge wezen. Pas daarná, vanuit dat gelovige aanvaarden, willen we natuurlijk precies weten wát er bedoeld is. Dan begint de uitleg. Dit staat hier. Wát staat hier?

Letterlijk of figuurlijk: nauwkeurig uitleggen
Wij lezen een tekst, u en ik. Er is in deze tekst iets weergegeven, zoals op een kaart van Gelderland de afbeelding is weergegeven van het dorp waarin ik woon, en dat moet ik er dus op kunnen terugvinden. Het staat er letterlijk. Hoe moet ik het nu gaan uitleggen? Letterlijk, zult u zeggen. Nee, niet per se. Letterlijk is niet: congruent, 1:1, één op één corresponderend met een werkelijkheid. Umberto Eco heeft een buitengewoon scherpzinnig en amusant opstelletje geschreven over de onmogelijkheid om een kaart van een land te vervaardigen op een schaal van 1 op 1.

Dat bestaat natuurlijk niet. Dan zou ieder zandkorreltje van de Sahara op een kaart van de Sahara moeten zijn afgebeeld. Maar als je die kaart over de Sahara heen zou leggen, zou je die kaart zélf weer moeten afbeelden op de kaart, wat natuurlijk niet kan, want … (enzovoorts). Natuurlijk betekent dat niet dat een kaart niet betrouwbaar kan zijn, maar wél dat een kaart nooit kan samenvallen met datgene waarnaar verwezen wordt. Er is altijd sprake van een voorstelling, representatie.

Om maar weer eens het voorbeeld van de sprekende slang te nemen: letterlijk staat er in Hebreeuwse letters, n.h.s.,, wat betekent “slang”. Als wij dat letterlijk opvatten, zien de meesten van ons een adder-achtig beest, of een boa, of een ratelslang, in ieder geval een voorstelling die we ons daarbij vormen. Wat we nog niet weten, is dat het Hebreeuwse woord ook vertaald kan worden met “draak”, zoals de LXX doet in Am9:3; Jb26:13.

Nog altijd is dat geen reden om dan aan een figuurlijke voorstelling te denken, maar we krijgen nu een ander beeld op het netvlies: een soort Tyrannosaurus, misschien? Alleszins denkbaar, nog steeds letterlijk. We gaan ons hoogstens afvragen of zoiets echt bestaan heeft, en of dat ook bedoeld is. Een beeld hebben we er wel bij, Maar strikt genomen weten we niet wat “letterlijk” een slang is. En toch is dat op zichzelf volstrekt geen reden om ons af te vragen of de hier omschreven gebeurtenis wel echt en reëel is, net zo min als dat het geval is als we niet weten of Simson nu vossen of jakhalzen ving in het Filistijnse land.

De Auteur spreekt
We lezen onbevangen, tenminste: dat proberen we. We leggen nauwkeurig uit, we doen ons best. Maar het allerbelangrijkste is dat we de tekst niet aan onze onderzoekende intellectuele capaciteiten onderwerpen, maar dat wij ons aan het gezag van de tekst onderwerpen. Er spreekt iemand, wij luisteren. Wij zijn de hoorders, Hij is de Spreker. Wij zijn de lezers, Hij is de Auteur. Hij zegt “iets”, en dat zijn maar geen losse woorden die naar losse dingen verwijzen. Daarom is het zo verwarrend als we ons vastklampen aan dat woord “letterlijk”. Een intrigerend voorbeeld trof ik aan bij een recent herlezen van Dostojewsky. De verteller-figuur zegt ergens in het eerste deel dat hij zich in zijn kroniek zal beperken tot “strikte feiten”. Maar iedere lezer weet dat de auteur ons juist in het begin van zijn verhaal verbijstert met een ondoordringbare jungle van halve hints, incompleet geciteerde verhalen, impliciete verwijzingen, die pas verderop in dit meesterwerk te ontcijferen zijn. Er bestaan geen strikte losse feiten. Er is geen werkelijkheid en geen waarheid zonder samenhang.

Toen onze kinderen klein waren en op de kleuterschool zaten, voordat ze de basisschool betraden, hielpen wij ze al een beetje om te leren lezen. Dat deden we door overal in hun kamer papiertjes op te hangen. Dit is dit. Muur. Lamp. Kast. Raam. Deur. Enzovoorts. Al die woorden kon je letterlijk opvatten, Ze “klopten” ook, er was geen onwaarheid bij. Dat is dat. Maar zolang er geen samenhang was tussen die woorden, was er geen boodschap. Ik denk toch dat geen enkele fundamentalist, zelfs niet de meest extreme, het gezag van de Schrift zal willen formuleren als het gezag van op zichzelf staande woorden.

Het gezag van de Schrift is het gezag van de Auteur, van God. Wie Hem niet wil geloven, en probeert aan de werkelijkheid te ontkomen door de letterlijkheid van zijn woorden onacceptabel te maken, en te vluchten in figuurlijkheid of andere literaire genres — die moet dat zelf weten, maar hij zal Gods boodschap niet meer horen. Maar wie vlucht in de letterlijkheid, wie probeert het houvast voor het geloof te vinden in het “nemen zoals het er staat” zonder verder na te denken, die mist Gods boodschap en Gods geschiedenis evenzeer. Want het gezag waaraan wij ons moeten onderwerpen, is uiteindelijk veel meer dan het gezag van de tekst, het is het gezag van de Auteur. Er staat veel meer op het spel dan woorden, maar het gaat om het Woord.

2 opmerkingen:

Anoniem zei

Dag Jos,

interessante reactie van uitgever Medema...

Grtz.
Albert
(die van GG :) )

Jos M. Strengholt zei

Ahhh die Albert....