.

zondag 5 juni 2016

Joel 3:1-21 Gods volk gezegend, de vijanden gestraft

INTRODUCTIE
JOEL 1:1-20
JOEL 2:1-17
JOEL 2:18-27
JOEL 2:28-32
JOEL 3:1-21

JOEL 3:1-21

Na het visioen (of wat? de ingeving) over d
e komst van de Geest voor alle mensen (Joel 2:28-32) gaat Joel verder met een beschrijving van het 'nationale' herstel van Juda en Jeruzalem, en de straf over de volken.

Eerst iets over termen als "in die dagen, in die tijd" (Joel 3:1), "Daarna" (Joel 2:28) "Voor die dag van de HERE komt" (Joel 2:31).  Al die termen duiden op een 'eindtijd' die Joel ziet, de tijd dat God alles goed gaat maken (en dat gaat niet zonder oordelen).  Maar ik zou uitkijken en er geen kalender in te zien.  God's woord is geen spoorboekje.  Ik zei al eerder, de beloften zijn voorwaardelijk.  De 120 mannen en vrouwen in de bovenkamer in Jeruzalem hadden de Geest niet ontvangen als ze niet als volgelingen van Jezus hadden gewacht en gebeden zoals Jezus had gezegd.

En Gods belofte van bevrijding van Juda en Jeruzalem, gaat het hier niet veeleer om de terugkeer van Israel uit de ballingschap, eeuwen voor Christus? Dat zou er dan ook op duiden dat dit gedeelte is geschreven voor die terugkeer.  Dat is natuurlijk een cirkelredenering, maar de andere redering klinkt nog vreemder: waarom zou Joel van een ommekeer in de gevangenschap van Juda profeteren die nog komen moet, als op moment Juda en Jeruzalem helemaal niet in gevangenschap waren?

In de rest van Joel 3 (verzen 4 en verder) worden volken genoemd die Juda kende voor ze in de zesde eeuw in ballingschap ging, en die daarin een rol speelden. Als die volken veroordeeld worden, is het wel erg logisch om te denken dat in Joel 3:1-3 sprake is van beloften van een terugkeer uit Babylon.

Alle heidenvolken worden bijgebracht en geoordeeld in het "Dal van de HERE oordeelt". Denk eraan, poëtische taal.  Want in welk dal zouden "alle volken" bijeengebracht kunnen worden? Het gaat natuurlijk om de volken die Israel's leven zuur maakten voor en tijdens de ballingschap.

"Die volken hebben Israel immers onder de heidenvolken verstrooit en het land verdeeld." (Joel 3:2)
Dat is gebeurt bij de ballingschap in de zesde eeuw voor Christus.  Het oordeel over "alle volken" zal dus het oordeel over die betrokken volken zijn.  Dat zijn "alle heidenvolken".

Wie vandaag de dag meent dat Joel 3:1-2 nog steeds toekomstmuziek is, moet dus aannemen dat "Juda en Jeruzalem", laten we even zeggen, "Israel", opnieuw onder de heidenvolken verstrooit gaat worden? Dat het land opnieuw verdeeld gaat worden?

Iemand die zegt dat God's oordeel gaat over wie Israel anno 2016 verdeelt ("Mijn land hebben zij verdeeld, Joel 23:2c) gebruikt dus een tekst die met vandaag eigenlijk niks te maken heeft.  Joel heeft het over Israel rond het jaar 550 voor Christus hier. Bij de profeten lopen dingen nu eenmaal vaker door elkaar, het zijn profeten, geen schrijvers van God's spoorboekje.

Dat Joel 3:1-3 gaat over 2500 jaar geleden blijkt ook uit het feit dat Israel's vijanden van toen worden genoemd in Joel 3:4-8.  Het gaat daar om Phoenicia (Tyrus en Sidon) en Filister (ongeveer de huidige Gazastrook). De profeet zegt namens de HERE dat ze zullen worden gestraft vanwege de rol die ze hebben gespeeld bij de aanval door de Babyloniers. Ze hebben Gods goud en zilver meegenomen voor gebruik in hun eigen tempels, (3:5) ze hebben de Judeers als slaven aan de Grieken verkocht. (3:6)

Als straf lezen we dat de kinderen van Tyrus, Sidon en Filistea aan de inwoners van Sjeba ('Jemen') zullen worden verkocht. (3:8)  De terugkerende Judeers zullen in dat oordeel van God een rol spelen. (3:7)

Even over dat Dal van Josafat (Joel 3:2, 3:12):  we weten van geen dal in Israel dat zo werd genoemd.    Hetzelfde dal word in Joel 3:14 het "Dal van de Dorsslede" genoemd.  Aangezien het "Dal van Josafat" ook gewoon vertaald kan worden als "Dal van de HERE oordeelt", lijkt het me dat we niet zozeer aan een specifiek dal in Israel moeten denken.  Maar wie dat wel wil doen, prima.

God wil de volken die Juda en Jeruzalem hebben verstrooid en verdeeld, oordelen. Dat doet Hij door die volken uit te lokken om gewapend naar het Dal van Josafat te komen.  Daar zal de HERE alls heldenvolken van rondom oordelen.  Zie je die woorden van rondom?  Het gaat dus niet om alle heldenvolken.  Nadruk moet niet liggen op dat woord alle, alsof Argentinie, de Eskimo's en Nederland hier worden geoordeeld.  Het gaat over de volken van rondom Juda.  Dus Tyrus, Sidon, Filistea.  Het gaat niet om een wereldwijd laatste oordeel, maar om een oordeel over de vijanden van Israel in de zesde eeuw voor Christus. Egypte en Edom worden in 3:19 ook genoemd.

Joel 3:13-17 spreekt in bevlogen woorden over God's oordeel over de volken, en het heil voor Juda en Jeruzalem. Opnieuw lezen we over de zon en de maan en de sterren die zwart worden (3:15).  De heldenvolken worden geoordeeld en de HERE neemt het op voor zijn volk, de Israëlieten.

Parallel aan Joel 2:11 lezen we dat Israel zal weten dat de HERE hun God is die op Sion woont. Vreemden (bedoeld is natuurlijk, vreemde legers) zullen er niet meer doortrekken. (3:16).

In die tijd zal Israel ook een natuurlijk paradijsje zijn - met veel water.  Geen droogte meer. En een bron zal uit het huis van de HERE ontspringen.  (Joel 3:18).  Is dit een parallel met het uitgieten van de Heilige Geest, genoemd in 2:28. Ook bijzat uitgieten van de Geest is de plaatsbepaling Jeruzalem.

Mijn gedachte gaat hierbij naar Jezus die in de tempel in Jeruzalem, uitriep dat wie dorst heeft tot Hem moet komen. "Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.  Dit zei Jezus van de Geest die zij die in Hem zouden geloven, ontvangen zouden..." (Joh 7:38-39)

Tenslotte, Joel 3:19 laat zien dat terwijl Israel een waterrijk oord wordt, Egypte en Edom gestraft worden omdat ze geweld tegen Juda hebben gepleegd.  Egypte en Edom worden dus woestijnen, terwijl Juda juist voor eeuwig blijft, en de HERE zal in Sion wonen.

Als we deze woorden "Juda zal voor eeuwig blijven" letterlijk nemen, moeten we constateren dat Joel's profetie niet uitkwam.  Het werd gered van de ballingschap, maar al snel namen de Grieken en de Romeinen de macht over.  In 70AD werd de tempel verwoest - de de HERE woonde daar niet langer. En in 135AD werden de laatste Judeers uit hun land verjaagd.

Of moet je denken: er komt een tijd dat alles wordt hersteld, en dan zal Judea voor eeuwig blijven, Jerusalem van generatie op generatie?  Maar dan moet je ook veronderstellen dat de straf voor de volken rond Israel permanent is, lijkt me.  Dan blijft Egypte voor eeuwig een woestijn? Dan wordt de wereld dus nooit echt een paradijs? Dat is in strijd met het einde van mijn bijbel, waar Openbaring 21-22, tezamen met Romeinen 8, juist een beeld geven van God die de hele wereld vernieuwd. Daar zal geen woestijn meer zijn.

Een laatste opmerking.  De uitsmijter van Joel is, dat God het bloed van de Judeeers onschuldig zal houden dat Hij (daarvoor) niet voor onschuldig had gehouden, en de HERE zal wonen in Sion. (3:21)

Dus aan het slot leren we dat alle onheil dat over Juda en Jeruzalem kwam, het oordeel over dat land was.  Daarom de sprinkhanenplaag; daarom de legers van de buurlanden die het volk verstrooiden en het land verdeelden.  Maar God vergeeft.  Niet 'gratis', want we hebben gezien dat God's heil voorwaardelijk is. Israel moet zich bekeren.  Dat was de basis voor de terugkeer van de Joden naar hun land, na de Babylonische ballingschap.  God strafte, het volk bekeerde zich, en God vergaf.

Heeft dit dan geen verdere vervulling?  In het eschaton?  Ik denk van niet, maar als je meent van wel, dan zijn er veel vragen die een antwoord nodig hebben.  Zoals: heeft God Israel's bloed dan tot nu toe voor schuldig gehouden? Voor wat dan?  Een huiveringwekkende gedachte die ik niet voor mij rekening neem.  En des te meer een reden om Joel 3:1-21 toch vooral in de eigen tijd van Joel te zien, behalve inzoverre we er duidelijk christelijke motieven in zien.  Ik denk dat de vroege kerk (van de apostelen) ook zo met hun Hebreeuwse heilige schriften omgingen. 

zaterdag 4 juni 2016

Joel 2:28-32 Gods Geest komt tot zijn volk


INTRODUCTIE
JOEL 1:1-20
JOEL 2:1-17
JOEL 2:18-27
JOEL 2:28-32
JOEL 3:1-21

JOEL 2:28-32

Tot nu toe sprak Joel over een sprinkhanenplaag als Gods oordeel, en over het eind van die plaag en hoe God zijn volk opnieuw zegende. Maar deze vreselijke straf van God en de verlossing ervan, deed Joel 'verder' kijken.  In zijn beschrijving van de verlossing van de sprinkhanenplaag (2:25-27) lijkt Joel al meer te beschrijven dan 'gewoon' het eind van de sprinkhanencrisis. Hij ziet ook hoe God temidden van zijn volk is die eerder de werkelijkheid van de exodus beschrijft dan de geschiedenis van Israel daarna.  En daardoor krijgt het ook meteen een apocalyptisch gehalte.  Zal het ooit weer zo goed worden?

Ja, zegt Joel. Zo goed zal het worden. God zal zijn Geest op "alle vlees" uitstorten. Met het gedeelte van 2:28-32 komen we ineens in Nieuwtestamentische taal terecht. 

Op alle vlees - ik denk dat Joel niks anders in gedachten heeft dan Israel (of Juda, in elk geval, het Oudtestamentische volk van God). De term wordt overigens in Gen 6:12, Lev 17:14, Num 18:15, voor de heel mensheid gebruikt. Dat Joel aan Israel dacht lijkt me duidelijk uit het feit dat hij het heeft over "uw" zonen, dochters en jongemannen. (2:28)

Mozes bad tot God, "O dat al God's mensen profeten zouden zijn..." (Num 11:29) en dat gebed lijkt nu verhoord. In het Oude Testament valt de Geest soms op profeten, maar er komt een tijd dat hij op alle leden van Gods volk zal vallen. 

"Daarna zal (dat) geschieden", zegt Joel.  (2:28) Dat wil zeggen, nadat God Israel van de sprinkhanenplaag heeft gered en de HERE in hun midden is. (2:27) Hoe lang daarna weten we natuurlijk niet.

Op de pinksterdag zegt Petrus dat de verschijnselen die de volgelingen van Jezus toen meemaakten, met de profetie van Joel te maken hadden. "Dit is wat gesproken is door de profeet Joel." (Han 2:16) Petrus haalt vervolgens Joel 2:28-32a aan. (Han 2:17-21)

Petrus verandert alleen de aanhef een beetje.  In plaats van "daarna zal het geschieden" maakt hij ervan, "en het zal zijn in de laatste dagen..." Daarmee geeft hij aan hoe hij Joel's profetie over de komst van de Geest begrijpt.  Dat gaat over de laatste dagen. Die overigens wat Petrus' betreft, dus toen en op dat moment, waren begonnen. Het Nieuwe Testament spreekt over die eigen tijd als 'de laatste dagen'. Met de komst van Jezus en de Geest, is de 'eindtijd' begonnen.

Er staat toch "op alle vlees"? Maar op de pinksterdag kregen toch niet alle Israëlieten de Geest?  Inderdaad.  Want me dunkt dat deze belofte, net zo als de belofte van God's aanwezigheid in het midden van het volk, voorwaardelijk is.   "Alle vlees" duidt wellicht niet zozeer op ieder mens, maar op alle soorten mensen. zonen, dochters, ouderen, jongemannen, dienaren, dienaressen.

Dat het niet voor alle Israëlieten geldt lijkt ook te worden onderstreept door de laatste woorden uit Joel 2 waar de profeet zegt dat ieder die de naam des HEREN zal aanroepen behouden zal worden, "die de HERE roepen zal".  (Joel 2:32) Niet iedereen zal ontkomen, is de boodschap.  Petrus gebruikt soortgelijke woorden in Han 2:39, als hij zegt dat "de belofte voor u is..., zovelen als de Here onze God ertoe roepen zal."  Petrus lijkt de tekst van Joel nauwkeurig als zijn exegetisch uitgangspunt te nemen en hij ziet de komst van de Geest op de Pinksterdag als het begin van de vervulling.   Later, als de Geest ook op heidenen valt, constateert hij dat die dus evengoed bij het volk van God horen. (Han 10:34-36, 44-48)

Maar wat dan met die wondertekenen die Joel noemt? (Joel 2:30-31)  Dat Petrus deze verzen ook aanhaalde - hij had ze net zo makkelijk kunnen overslaan - doet me denken dat hij mensen wilde wijzen op tekenen die juist in die tijd rond de Pinksterdag waren gezien.  Dan valt te denken aan de zonsverduistering toen Jezus werd gekruisigd? En het wonderteken van vuur en rookwalm zou kunnen verwijzen naar de vlammen op de hoofden van de discipelen toen de Geest viel?

Aan de andere kant, de beschrijving van allerlei natuurverschijnselen moet misschien wel vooral worden gezien als poëtische /apocalyptische taal om een dramatisch ingrijpen van God te beschrijven.  Bloed, vuur, rookwalm, zonsverduistering, het wijst terug naar de tijd van de exodus van Israel uit Egypte.  Het beschrijft ook de nasleep van de oorlogen die de HERE tegen de vijanden van zijn volk voerde. (Jes 34:5-10, Eze 32:6-7, 38:22).

In Markus 13:24 ontleent Jezus woorden aan Joel om het komende oordeel te beschrijven - het oordeel over Jeruzalem en de tempel. Dat gebeurde in het jaar 70AD.  `Josefus, de Joodse geschiedschrijver die de val van Jeruzalem beschrijft, heeft het ook over bloed, vuur, rookwalm, de zon die verduistert, de maan die als bloed wordt.  Dat was nu eenmaal het literaire repertoire bij notoir dramatische gebeurtenissen die een belangrijk moment in Gods verbond met zijn volk aanduiden. Of die tekenen echt plaatsvonden was niet eens van belang - maar zo schreef je er nu eenmaal over.  Bedenk nog even, Joel is een poëtisch boek, het is geen proza.

En dat een ieder die de naam van de HERE aanroept behouden zal worden, dat voorspelde Joel en dat citeert Petrus. Paulus citeert hetzelfde vers in Romeinen 10:13 waar hij het vers dat in Joel vooral op Israel duidde, en past het toe op gelovigen in Jezus Christus uit all volken. Er is immers geen enkel onderscheid tussen Jood en Griek. (Rom 10:11-13)

Joel zegt, "wat op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn." (Joel 2:32). Dat wijst natuurlijk op het fysieke Jeruzalem. Joel zegt tegen zijn volksgenoten dat er een tijd komt waarbij Sion en Jeruzalem, in zijn tijd hevig in de druk, bevrijd zullen zijn.   Heel eigenaardig dat Petrus juist dat weglaat.  Maar aangezien hij zijn woorden in Jeruzalem uitsprak, was het misschien ook weer niet zo vreemd - het was niet nodig om te noemen.  Zijn hoorders kenden de tekst en beseften dat Petrus het wegliet, waardoor het misschien wel extra gewicht kreeg.  De hoorders waren in Jeruzalem, en de hoorders konden behouden worden als ze de naam van Jezus zouden aanroepen.

Dit alles overziende denk ik dat het heel aannemelijk is om Joel's belofte van de uitstorting van de Geest, echt vervuld te zien in de Pinksterdag - en natuurlijk in hoe de gelovigen in Jezus Christus daarna de Geest ontvangen.  Petrus past het in elk geval heel duidelijk zo toe. 'Mensen moeten zich bekeren, gedoopt worden in de Naam van Jezus, ze zullen de Geest ontvangen, en dat zullen ook hun kinderen en allen die veraf zijn, zoveel als God roepen zal.' Han 2:38-39 is een parafrase van 2:28-32. En dat gebeurde in Jeruzalem waar Joel ontkoming beloofde.

Waar in het Nieuwe Testament zien we een aanwijzing dat Handelingen 2 niet de echte vervulling van Joel 2 is? Petrus zei: "Dit is het..." (Han 2:16).  Daarmee is deze profetie vervuld denk ik. En elke keer als enkelingen of groepen de Geest ontvangen, dan is dat een delen is het Pinksterwonder dat Joel voorspelde. 

Joel 2:18-27 God komt zijn volk redden

INTRODUCTIE
JOEL 1:1-20
JOEL 2:1-17
JOEL 2:18-27
JOEL 2:28-32
JOEL 3:1-21

JOEL 2:18-32 

Nadat Joel tot dusver alleen ach en wee profeteerde over God's volk, eindigend met de pijnlijk vraag: "waar is God?", komt Joel nu met goed nieuws. God zal ingrijpen. Hij antwoordt op de smeekbeden. (2:18)

De HERE neemt het op voor Zijn land en spaart Zijn volk. Deze termen verwijzen naar God's verbondsbeloften.

Wat doet God? Hij zorgt dat het land weer groeit en bloeit. Dit lijkt nog een directe reactie op de spinkhanenplaag. Joel 2:18-27 beschrijft een exacte ommekeer van de schade die de sprinkhanen hebben aangericht. Ook zal het weer regenen (2:23). De natuur zal weer bloeien, de heidenen zullen het volk van God niet langer smaden.

Wat betekent vers 20? Ik denk dat Joel beschrijft hoe God een eind maakt aan de spinkhanenplaag. Meestal komen die niet uit het noorden, maar waarom in dit geval niet?

Of misschien wordt het noorden gebruikt naar analogie van het feit dat Israel militaire vijanden altijd via het noorden arriveerden? In elk geval verdrijft God de sprinkhanen naar de woestijn en de zee - de Middellandse Zee en de Dode Zee. En de stank van de dode dieren is overweldigend.

De beschrijving klinkt apocalyptisch. Het noemen van het noorden, de bevrijding van het land van zee tot zee, en dat de sprinkhanen verantwoordelijk worden gehouden terwijl ze tegelijk God's werk doen. Dat laatste komt overeen met hoe de volken soms door God worden gebruikt. (Assur, Jes 10:5-19 en Babel, Hab 2:6-19). Deze apocalyptische toon is niet vreemd - want de sprinkhanenzwerm wordt gezien als begin of aankondiging van de Dag des HEREN.

Joel beschrijft de uitredding van God alsof het al gebeurt is.  (Zoals: "Toen nam de HERE het op voor Zijn land, en Hij spaarde zijn volk." Joel 2:18) Dit lijkt me vooral een literaire methode om de zekerheid van de zaak vast te stellen.  Joel voorspelt de toekomst terwijl het volk nog leidt onder de sprinkhanenplaag maar tot de HERE roept. 

God's uitredding is zeker - dus roept Joel het volk op om God te danken en om blij te zijn. Hij noemt ze kinderen van Zion (2:23) om ze te wijzen op het verbond met God.

Vers 23 is problematisch.  De HSV heeft "want Hij zal u geven de Leraar tot gerechtigheid.  Die zal regen op u doen neerdalen..." Die vertaling heeft oude papieren, maar er zijn ook goede redenen om aan een andere vertaling te denken.  Ik laat dat nu maar in het midden.  Dat er een verwijzing, zomaar in het midden van een tekst over sprinkhanen en Gods uitredding, zou zijn naar een speciaal iemand (een messias? de messias? een nieuwe vorst? een nieuwe wetgever) lijkt wat gekunsteld.  Een goede en orthodoxe vertaling als de English Standard Version (ESV) heeft hier: 

“Be glad, O children of Zion,
and rejoice in the Lord your God,
for he has given the early rain for your vindication; 
(in plaats van: want Hij zal u geven de Leraar tot gerechtigheid.)
he has poured down for you abundant rain,
the early and the latter rain, as before.

In Joel 1:17 krijgen we de indruk dat God's naam belachelijk werd gemaakt door de omringende volken. Nu God uitredding geeft, moet God's volk zijn naam natuurlijk prijzen. (2:26)

Nooit zal God's volk meer beschaamd staan, zegt Joel tweemaal in 2:26 en 2:27. Dat is omdat God zelf in hun midden is en het volk weet dat er geen andere God is. 

Nu moet de uitlegger dus keuzes maken.  Als je aanneemt dat Joel spreekt over een werkelijke spinkhanenramp als gevolg van Gods oordeel, en als je aanneemt dat God die sprinkhanen daarna verdreef en dat het land weer groeide en bloeide, dan is het logisch om de verzen 2:26-27 concreet op die periode te laten slaan.  Dan moet je wel oplossen wat het wil zeggen dat vanaf dat moment, Gods volk "nooit meer beschaamd' zal staan" omdat God "in hun midden is". 

Als je om redenen van buiten het boekje Joel van mening bent dat die verzen 2:26-27 moeten slaan op een nog te verwachten eschaton, dan zal je waarschijnlijk in de verleiding zijn om al het voorgaande minder historisch te duiden.  Dan is een spinkhanenplaag misschien een opstapje voor Joel, maar niet het werkelijke drama. Dan zal je waarschijnlijk ook besluiten dat Joel 2:1-11 wel op echte legers moet slaan die ooit, in het eschaton, Israel zullen aanvallen?

Ik kies voor de eerste optie.  Het gaat wel degelijk om een dramatische sprinkhanenplaag.  Alle duidelijke taal van Joel duidt daarop.  Maar wat betekent het dan dat God's Volk"voor eeuwig niet meer beschaamd wordt" en dat God in hun midden is (en de suggestie is natuurlijk dat hij dat ook voor eeuwig blijft).  Ik heb er geen moeite in hier een voorwaardelijke belofte te zien aan dezelfde mensen die te horen kregen dat God de jaren zal vergoeden die de sprinkhanen hebben opgegeten.

Ja, voorwaardelijk.  Net zoals al Gods beloften voorwaardelijk zijn.  De voorwaarden worden duidelijk genoemd door Joel:

1. neem dit ter ore, alle inwoners van het land, en vertel het aan je kindskinderen. (1:1-3)  Een plicht tot religieus onderwijs aan het nageslacht.
2. wees een biddend volk (1:13-14, 19; 2:15-17)
3. bekeer je met je hele hart (2:12-13; 16)
4. houd je aan je tempeldienst (2:14)
5. wees een getuige voor de volken (2:17)
6. wees niet bevreesd maar wees blij in de HERE (2:21)
7. prijst de naam van de HERE (2:26)
8. weet dat de HERE in je midden is (2:27)
9. dient alleen de HERE en geen andere god (2:27)

Joel maakt klip en klaar wat de verbondsopdrachten van het volk van God zijn.  Te denken dat een vers dat zegt, "u zult nooit meer beschaamd worden en ik zal (voor altijd) in uw midden zijn", al die voorwaarden teniet doet, lijkt me geen goede exegese. 

In dit verband is het ook zinvol om te melden, dat de term 'Dag des HEREN' niet altijd op eenzelfde 'dag' aan het einde der tijden hoeft te slaan.  Voor Israel was de sprinkhanenplaag en de uitredding een 'Dag des HEREN'. Een speciale dag (tijd), anders dan alle andere dagen.  God oordeelt en God redt; het is Zijn Dag. 

Joel 2:1-17 God oordeelt zijn volk


INTRODUCTIE
JOEL 1:1-20
JOEL 2:1-17
JOEL 2:18-27
JOEL 2:28-32
JOEL 3:1-21

JOEL 2:1-17

Wie Joel 1:1-20 net heeft gelezen, en daarna Joel 2:1-17, moet wel tot de conclusie komen dat sprake is van parallellisme. Het is net of Joel hetzelfde zegt, maar nu in wat andere woorden. Maar alles wat Joel zegt lijkt wat steviger aangezet, wat verder uitgewerkt.

Het lijkt me dat een exegeet een paar keuzes kan maken voor een algemene uitleg van dit gedeelte.

1) Joel praat nog steeds over een aanval door een massieve spinkhanenplaag en een droogte, waar in hoofdstuk 1 al sprake van was, en die sprinkhanenplaag wordt nu met meer kleur beschreven, en opnieuw zien we hoe Joel beseft dat er een grotere Dag des HEREN komt of...

2a) Joel beschrijft die Dag des HEREN nu in 2:1-17, een enorme sprinkhanenplaag die het land verwoest.  De beschrijving van de plaag is ingeklemd tussen 2:1 en 2:11, die de plaag als een sandwich tussen een beschrijving van de Dag des HEREN plaats.  Joel lijkt de plaag toch wel echt als die Dag des HEREN zelf te zien.  Maar gaat het nog wel om sprinkhanen?

2b) Joel beschrijft wellicht de aanval door een sterk leger, die hij omschrijft als een spinkhanenplaag.  De komt van dit leger, Gods straf over zijn volk, is het begin van de Dag des HEREN.  In dat geval is hoofdstuk 1 een omschrijving van een sprinkhanenplaag die wel lijkt op een vijandelijk leger, en 2:1-17 is een vijandelijk leger dat wel lijkt op een sprinkhanenplaag.  Dit zou kunnen, maar let wel, er is in Joel tot nu toe geen enkele aanwijzing dat het sprinkhanenleger eigenlijk op een werkelijk militair leger duidt.  Misschien komt dit nog.

In ieder geval gaat Joel, meer dan in Joel 1, in op de komende Dag des HEREN.  (Joel 2:1-2, 2:11c)

God is aan het woord en spreekt over 'Mijn heilige berg', de berg Sion. (2:1)

Overigens spreekt Joel tweemaal over het leger van sprinkhanen ook als 'Zijn (dat is, God's) leger'. En het leger van sprinkhanen is de uitvoering van God's woord.  God stuurt ze. (2:11)

Dit hoofdstuk bevat nogal wat taal die we vaak als apocalyptisch aanduiden:
duisternis en donkerheid (2:2)
de aarde siddert (2:10)
de hemel beeft (2:10)
zon en maan worden in zwart gehuld (2:10)
sterren trekken hun licht in (2:10)

In dit geval van Joel zijn dit verklaarbare verschijnselen bij een grote sprinkhanenplaag.  Mensen die zo'n plaag hebben meegemaakt noemen dezelfde verschijnselen.

In dit tweede hoofdstuk van Joel lijkt de Dag des HEREN wel degelijk deze vreselijke springkhanenplaag.  Voor Israel een vreselijk dag want het betekent dood en verderf en het einde van de tempeldienst.

God zelf brengt zijn leger van sprinkhanen over zijn volk, en dat moet wel een straf zijn want de oplossing wordt ook gegeven door God: het volk moet zich met zijn hele hart bekeren, met vasten, met geween, met rouwklacht. (2:12)

Als Israel dat doen zal God, die barmhartig is, berouw hebben over het kwaad dat hij over zijn volk bracht. (2:13)

Als Israel zich omkeert, zal God zich ook omkeren en zelfs zegen achterlaten: de eredienst in de tempel zal weer worden gevierd (omdat er weer eten en drinken is). (2:14)  Die tempeldienst, dat zit Joel toch wel het meest hoog.

Dus moet het volk bijeen komen, iedereen moet erbij zijn, en de priesters moeten bij God pleiten, 'geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad, zodat de heidenvolken over hen zouden heersen. Waarom zouden ze onder de volk zeggen: Waar is hun God.' (2:17)

Die woorden 'zodat de heidenvolken over hen zouden heersen', duidt dat toch op een werkelijke aanval door de militaire legers van een vijandelijke natie?  Wat we tot nu toe lazen geeft daar geen aanleiding toe, maar misschien komt dat nog.  Het 'heersen door de heldenvolken' kan ook het resultaat zijn van een verwoestende spinkhanenplaag die het land verarmt en verzwakt. 

vrijdag 3 juni 2016

JOEL 1:1-20 - Sprinkhanenplaag en droogte


INTRODUCTIE
JOEL 1:1-20
JOEL 2:1-17
JOEL 2:18-27
JOEL 2:28-32
JOEL 3:1-21

JOEL 1:1-20

Joel 1:1-20 is een rouwklacht over de verschrikkelijke sprinkhanenplaag (1:4) die Israel getroffen heeft. Zoiets ergs als dit, dat herinnert Joel zich niet. Er is tegelijk sprake van een enorme droogte. De waterstromen zijn uitgedroogd. (1:20) Waren er ook grote branden?  Of duidt de verzengende vlam en het vuur (1:19-20) op de brandende zon? Ik denk dat laatste, want Joel spreekt ook over het verdorren van de bomen en struiken. (1:11-12)

Joel spreekt, zoals profeten dat vaker doen, NAMENS zijn zender, de HERE (1:6-7), maar hij spreekt net zo vaak uit zijn eigen naam (1:13-14), en dan spreekt hij OVER de HERE. De afwisseling hiertussen, abrupt en onaangekondigd, verhoogt het dramatische gehalte van het boekje.

De velden zijn kaalgevreten; daardoor kan zelfs de tempeldienst geen normale voortgang hebben. (1:9) Voor Israel was dit hetzelfde als de opschorting van God's Verbond met het volk.  (Vgl Dan 8:11, 11:31; Exo 29:42-43)

Joel roept het volk dus op om rouw te bedrijven, te vasten, en gezamenlijk tot God te roepen om redding. (1:13-14)

Zelf roept Joel ook tot God. (1:19-20)

Waarom noemt Joel specifiek dronkaards en wijndrinkers (1:5)? Hij gaat daar in zijn eerste hoofdstuk niet verder op in, maar misschien later?  En geeft hij hier al een hint, dat de plaag die Israel heeft getroffen een straf van God is op het gedrag van het volk?  In 1:18 lezen we dat zelfs kudden kleinvee  moeten boeten.  Suggereert dit dat het gaat om straf?

Ook zegt Joel cryptisch, "De Dag van de HERE is nabij, en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige". (1:15)  Als je verder niets zou hebben gelezen zou je kunnen denken dat

  1. Joel misschien de sprinkhanenplaag die er nog niet is, maar die hij profetisch ziet, aankondigt, en dat hij de komende plaag de Dag des HEREN noemt?
  2. Of de plaag is er al en hij voorziet dat het nog veel erger wordt?
  3. Of de plaag doet hem beseffen dat er een heel andersoortig oordeel van God nabij is?

Wat gaat Joel ons hier nog meer over zeggen?

Overigens, Joel heeft een pre-moderne visie op de natuur.  De grond treurt (1:10) en zelfs de dieren van het veld schreeuwen tot God. (1:20) Deze pre-moderne visie op de natuur is logisch - zo spreekt de hele bijbel over de schepping.

Het bijbelboek Joel - poging tot begrijpen - KORTE INTRODUCTIE


Profeet Joel op een Russische icoon
INTRODUCTIE
JOEL 1:1-20
JOEL 2:1-17
JOEL 2:18-27
JOEL 2:28-32
JOEL 3:1-21

INTRODUCTIE

In een discussie op Facebook met een paar Nederlandse christenen, kwam de profeet Joel ter sprake.  Omdat het makkelijker is andermans mening onderuit te halen dan zelf een heldere mening te hebben over zon lastig boekje als Joel, dacht ik dat het goed was de handschoen op te pakken en een poging te doen om Joel te 'duiden'.  Daarbij ga ik niet in op teveel details, maar meer op hoofdlijnen.

Joel schreef zijn boekje omdat er een enorme invasie van sprinkhanen in Israel was.  Deze plaag was zo groot dat de bevolking honger leed en zelfs de eredienst in de tempel niet goed kon worden uitgevoerd.  Joel zag in deze plaag de straf van God; hij noemt het niets minder dan de Dag des HEREN. Maar er was ook hoop; berouw en bekering zou tot zegen en voorspoed leiden, ja tot een tijd waarin alle gelovigen een nieuwe ervaring van God's macht en heerlijkheid zullen hebben.  De Geest van God zou komen.  God zal altijd in het midden van zijn volk zijn, terwijl de naties rondom Israel zullen worden gestraft voor hun gedrag.

Wanneer werd het boekje geschreven? Theologen zijn het er niet over eens.  Alles tussen de negende eeuw en de twee eeuw voor Christus is mogelijk. Argumenten voor en tegen gaan over het ontbreken van het noemen van een koning in Israel, het noemen van Ioniers (Grieken), het feit dat Joel in de canon tussen Hosea en Amos is geplaatst, het feit dat Assur, Babylon en Perzië niet worden genoemd, etc.

Het boekje heeft een sterk samenhangende structuur; In Tyndale Old Testament Commentaries on Joel and Amos, door David Allan Hubbard (1989), vond ik een fraai overzicht, die Hubbard weer heeft uit de International Standard Bible Encyclopedia.

Iets over de literaire stijl van Joel; hij gebruikt hexameter, pentameter, tetrameter, en met een staccato beweging, zo lees ik in een commentaar. Irvin A. Busenitz, in Joel and Obadiah - a Mentor Commentary (2003), noemt het een 'literair meesterwerk'. Ik kan dat niet goed beoordelen maar geloof Busenitz op zijn woord.

De Herziene Statenvertaling geeft het hele boek Joel in dichtvorm weer, om de literaire stijl aan te geven.  Literaire stijl als zodanig zegt ons iets over hoe we het boek moeken lezen. Dichters spreken doorgaans meer vanuit en tot het dart dan vanuit en tot het verstand. We hoeven natuurlijk geen tegenstelling te vooronderstellen, maar als een profeet in dichterlijke taal spreekt moeten we ons wat behoedzaam opstellen.  We moeten niet denken dat we een theologische verhandeling gaan lezen.

Laten we maar niet teveel bij de inleidende vragen stilstaan; in feite moet je veel van die informatie juist bij uitstek uit het zorgvuldig lezen van het boekje halen.  Laten we een poging wagen.

Joel 1:1-20 en 2:1-17

Joel 2:18-2:32 en 3:1-21


dinsdag 5 april 2016

bijna een lustrum

Binnenkort vier ik mijn lustrum als voorganger van St Michael and all Angels, een Anglicaanse kerk in Heliopolis. Uit mijn grijze verleden als student bij In de Ruimte herinner ik me nog goed de lessen die ik daar kreeg in ‘Gemeentegroei’. Maak plannen, en voer ze uit, en God zal het zegenen. En waarachtig, mijn plannen vijf jaar geleden waren schitterend! Tranentrekkers werkelijk. Een ten dode opgeschreven kerkgemeenschap in Heliopolis zou herleven!

De werkelijkheid van het kerkelijk leven bleek iets weerbarstiger dan het papier waarop ik mijn plannen schreef. Een kleine vergrijsde gemeenschap van tien oude Egyptenaren groeide geleidelijk tot een gemeente met wekelijks 25 bezoekers. Maar een nieuwe Egyptische dienst die ik startte, en die volgens mijn plannen nu ongeveer 100 wekelijkse bezoekers zou hebben, is blijven steken op 35. Een nieuwe Engelstalige dienst voor expats zou nu ook 100 leden moeten hebben, maar hetzelfde verhaal: wekelijks zijn we met zo’n 35 mensen.

Okee, ik had gepland dat God zou zorgen dat de Soedanese dienst zou groeien van 200 tot 300 leden, maar ook daar ging het mis want we hebben nu 1100 leden. Niet echt mijn verdienste trouwens… Eerder die van de Soedanese president Omar al-Bashir, die de regio waar deze mensen vandaan komen maar blijft bombarderen, waardoor deze Soedanese Anglicanen naar Egypte vluchten en bij ons in de kerk komen.

Ik zou met mijn kleine Engelse en Egyptische diensten kunnen besluiten de liturgie wat aan te passen, om te gaan concurreren tegen een paar evangelische gemeenten in de buurt. Wat meer gitaren, drumstel, flitsende beamer-show. Maar van zulk soort diensten hebben we er al genoeg in Cairo, dus waarom meer van hetzelfde? Bovendien ben ik voor zo’n aanpak net een tandje te hoog-kerkelijk. God komt tot ons door de weloverwogen liturgie van Woord en Tafel.

En eigenlijk ben ik heel tevreden met onze kleine gemeenschappen. Natuurlijk wil ik graag wat meer gemeenteleden, maar ik heb toch besloten me weinig aan te trekken van die semi-wetenschappelijk gemeentegroei-principes. Als gemeente bestaan we voor de eredienst aan God en de zorg voor elkaar. Daar zal ik me dan maar op concentreren dan komt het vast wel goed. God kan zijn kerk wel bouwen, en is niet erg afhankelijk van mijn plannen.