woensdag 5 november 2014

Cyprianus - Brief 20 - Aan de priesters en diakenen in Rome

Deze brief is gericht aan de priesters en diakenen in Rome

Cyprianus heeft ontdekt dat de geestelijkheid in Rome rapporten ontvangt over zijn handelen niet geheel openhartig en accuraat zijn. Daarom schrijft hij nu deze brief - over zijn optreden, zijn zorg voor de kerk, en zijn ijver. (1.1)

Toen het volk in Carthago met geweld en bij herhaling om (de dood van) Cyprianus riep, trok hij zich naar de aanwijzingen van de Heer, terug voor een tijdje. Niet zozeer om zijn eigen veiligheid maar om de algemene vrede van de kerk. Hij was bang dat als hij in Carthago werd gezien, hij daarmee de wanorde zou doen toenemen. Maar hoewel hij lichamelijk afwezig is, is hij in de geest, in daden of in advies dat hij gaf, niet afwezen geweest. Hij bleef voor de belangen van zijn broeders ijveren. (1.2)

De leiders in Rome kunnen zelf beoordelen hoe Cyprianus handelde uit zijn brieven die hij al eerder stuurde, maar voor de zekerheid voegt hij kopieën van 13 brieven toe. (2.1)

Toen martelingen begonnen, reikten Cyprianus’ woorden tot in de gevangenissen om de broeders daar te bekrachtigen en te troosten. Hij ontdekte dat degenen die met woord en daad afvallig waren geworden of wie zijn geweten had besmet met het kopen van certificaten, overal probeerden brieven te krijgen van de martelaars en dat ze de belijders vleiden met hun verzoeken. Gevolg was dat dagelijks duizenden certificaten werden gegeven, tegen de wetten van het Evangelie, zonder onderscheid of onderzoek. Vandaar dat Cyprianus een brief aan de martelaars en belijders schreef waarin hij ze opriep de voorschriften van de Heer te volgen. (2.2)

De priesters en diakenen schreef Cyprianus met gebruik van zijn volle bisschoppelijk gezag omdat sommigen onder hen gehaast weer gemeenschap met de gevallenen zochten. Cyprianus schreef ook de leken in Carthago dat ze de discipline van de Kerk moesten handhaven.(2.3)

Vervolgens gingen bepaalde gevallenen wilde eisen te stellen dat ze weer volledig in de vrede zouden worden hersteld zoals beloofd door de martelaars en belijders; daarbij gebruikten ze zelfs geweld. Cyprianus schreef hierover twee brieven aan de geestelijkheid en hij gaf opdracht dat zijn brieven moeten worden voorgelezen.

Om degenen die zo’n briefje van de martelaars hadden en die op het punt stonden dood te gaan, gaf Cyprianus opdracht dat ze hun schuld konden belijden en onder handoplegging vergiffenis ontvangen, zodat ze naar hun Heer kunnen gaan met vrede. Cyprianus deed dit “om op zekere manier voor het moment hun geweld in te dammen” en hij verzekerd de Romeinse geestelijkheid dat hij hiermee “niet een wet schiep noch zichzelf zomaar als een gezaghebber opwierp.” (3.1)

Cyprianus was echter van mening dat aan de martelaars respect moest getoond terwijl wie gewelddadig naar vrede zochten tot bedaren moesten worden gebracht om totale chaos te voorkomen. Bovendien heeft Cyprianus de brief gelezen die de Romeinse geestelijkheid via de subdiaken Crementius ‘aan onze geestelijkheid’ heeft gestuurd. In die brief adviseerden die Romeinse priesters en diakenen dat wie gevallen was en op het punt stond dood te gaan, troost moesten worden geboden als ze boete deden en als ze graag tot de gemeenschap wilden worden toegelaten.

Dus besloot Cyprianus om die mening te steunen om te voorkomen dat hun acties, die verenigd en harmonie moeten zijn op elk terrein, in enig aspect zouden verschillen. (3.2)

Wat betreft de gevallenen die niet ziek zijn heeft Cyprianus opdracht gegeven dat ze geduld moeten hebben tot hij zelf weer in Carthago kan zijn. Als de kerk weer vrede heeft “kunnen wij kerkleiders bijeenkomen in een grote vergadering, en na met u van gedachten te hebben gewisseld, kunnen we alle zaken die spelen, oplossen. (3.3)

Opmerkingen:
  • Deze brief volgt zeker op brief 19; is dus waarschijnlijk zomer 250 geschreven, juli?? 
  • Aan deze brief gingen wsl. de brieven 8 en 9 vooraf. 
  • Dat Cyprianus aan de priesters en diakenen van Rome schrijft is omdat daar geen bisschop is. 
  • Cyprianus was duidelijk niet blij dat die Romeinse priesters en diakenen rechtstreeks contact zochten met de priesters en diakenen in Carthago, en dat ze zelfs adviezen gaven; maar Cyprianus maakt er het beste van door achter hun adviezen te gaan staan. 
  • Cyprianus krijgt uit Rome het verwijt dat hij nieuwe wetten uitvaardigde en dat hij autoriteit optreedt; blijkbaar was het advies van de Romeinse geestelijken aan die in Carthago niet hetzelfde waartoe Cyprianus besloot. Wilden die Romeinse geestelijken slechts dat de afvalligen ‘getroost zouden worden, en besloot Cyprianus om barmhartiger te zijn? 
  • Zie hoezeer Cyprianus hecht aan de eenheid van de kerk en de eenheid van handelen van de kerkelijke leiders. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

3 opmerkingen:

André zei

In hoeverre kun je zeggen dat Cyprianus hier verantwoording aflegt aan Rome? Vind je zelf (als Anglicaan) ook dat bisschoppen verantwoording schuldig zijn aan de bisschop van Rome?

Jos Strengholt zei

Ik denk dat Cyprianus niks anders deed dan aan de kerk in het grote Rome laten weten dat zijn houding jegens afvalligen verkeerd werd gecommuniceerd door zijn eigen clergy. Hij had iets recht te zetten. Vanuit een RK visie kan je dit natuurlijk 'rapporteren' noemen of 'verantwoording afleggen', maar zoiets lees ik hier niet.

Volgens mij zie je de relatie tussen de bisschoppen in de eerste eeuwen van het christendom zuiverder als je de nadruk legt op collegialiteit. Dat ze extra gevoelig waren voor een goede band met de kerkleiders in de grootste steden (Rome, Alexandrie, Jeruzalem, Antiochie, Constantinopel) is logisch - daar werd natuurlijk wel wat tegenop gekeken. Maar dat wil niet zeggen dat er een eenzijdige relatie was van verantwoording afleggen. :) Ziedaar mijn Anglicaanse visie.

André zei

Dank je. Ik kan me die collegialiteit wel voorstellen.

Wellicht heb ik me te eenzijdig georiënteerd op de kerkvaders, maar toch krijg ik de indruk dat die collegialiteit vooral met Rome gezocht wordt. Zien we bijvoorbeeld Cyprianus of Hippolytus op eenzelfde manier brieven schrijven richting bijvoorbeeld de bisschop van Antiochie?