vrijdag 28 november 2014

Cyprianus - Brief 27 - Bisschop Cyprianus aan priesters en diakenen in Rome

Deze brief is geschreven door bisschop Cyprianus aan de geestelijkheid in Rome.

Cyprianus refereert eerst aan een brief die hij eerder aan de geestelijkheid in Rome stuurde, met betrekking tot de discipline in de kerk. (Hij doelt op brief 20) Maar Cyprianus wil de Romeinse geestelijkheid op de hoogte brengen van wat sindsdien is gebeurt. (1.1)

Onze broeder Lucianus, een van de belijders, een man van groot geloof en moed, heeft zich dwaas gedragen; hij is niet goed in de Heilige Schriften thuis. Cyprianus noemt als eerste fout, dat Lucianus zich als leider heeft opgeworpen. In die capaciteit heeft hij namens de martelaar Paulus eigenhandig certificaten geschreven waarin hij en bloc vrede aanbiedt aan gevallenen. (1.1)

Nee, dan deed de martelaar Mappalicus het beter; die gaf in een briefje alleen instructies over zijn moeder en zus die gevallen waren.(En zo hoort het, bij name.) Saturninus, een andere martelaar, gaf ook geen brieven uit toen hij nog leefde. (1.1)

Maar Lucianus heeft namens Paulus in zijn eigen handschrift tal van certificaten uitgegeven, zelfs na de dood van Paulus. Volgens Lucianus op bevel van Paulus. Hij doet hetzelfde namens de belijder Aurelius. Die is ongeletterd, en daarom, zo beweert Lucianus, moet Lucianus die certificaten zelf schrijven. (1.2)

Om deze activiteiten van Lucianus te doen ophouden schreef Cyprianus aan hen een brief (Brief 15), die hij als bijlage bij zijn vorige brief (Brief 20) aan de geestelijkheid in Rome had gedaan.

Lucianus reageerde daarop door namens alle belijders een brief te schrijven, dat is brief 23. Daarmee ondermijnde hij de band des geloofs en het Evangelie. Hij schreef namens alle belijders dat ze samen vrede schenken aan allen (de berouwvolle gevallenen) samen. Daarin zei hij ook dat hen hun wens was dat hun resolutie aan alle bischoppen bekend zou worden gemaakt. Cyprianus voegt deze brief 23 nu ook bij brief 27. (2.1)

Lucianus schreef in zijn briefje de voorwaarde voor die vrede dat het wordt geschonken “aan hen wier gedrag sinds hun fout naar tevredenheid is, zoals je na onderzoek zult zien.” Maar die procedure schept meer vijandschap tegen ons (de bisschoppen). Immers, als wij beginnen met de zaken te onderzoeken op individuele basis, dan lijkt het of we aan velen onthouden wat in hun indruk de martelaren en belijders al hebben geschonken.(2.2)

Als direct gevolg zijn de problemen al begonnen. In verschillende steden in onze province zijn kerkleiders aangevallen door meutes, en ze worden gedwongen om de vrede die naar vermeend martelaren en belijders al hebben geschonken, uit te voeren. Naar hun indruk geschonken eens en voor allen. Ze hebben sommige leiders die niet sterk genoeg zijn, geintimideerd tot onderwerping.(3.1)

Ook Cyprianus zelf staat nu onder grote druk van sommige rebellen die in het verleden moeilijk in toom werden gehouden; ze dringen nu nog meer aan op de vrede die hen is beloofd. Ik stuur jullie ook de kopie van de brief die ik hun stuurde. (brief 26)

Cyprianus stuurt ook de twee brieven van en aan Caldonius (Brief 25 en 26), en de twee brieven van Lucianus en Celerinus aan elkaar.(Brief 21 en 22) Cyprianus vraagt de geestelijkheid in Rome er nota van te nemen dat niets aan zijn aandacht ontsnapt en hij wijst op de wijsheid van Celerinus vergeleken met Lucianus. Hij zegt ook dat Lucianus geen terughoudendheid toont “in zijn bereidheid om een erfenis van kwade wil te schenken die gericht is tegen onze eigen bescheiden persoon.” (3.2)

Volgens Lucianus kan vrede geschonken en zonden vergeven in de naam van Paulus, en dit, zegt hij, op instructie van Paulus. Het is Lucianus ontgaan dat niet de martelaren het evangelie maken, maar dat martelaren door het evangelie worden gemaakt. Cyprianus citeert de apostel Paulus, Gal 1:6ff, waarin de apostel zegt dat mensen die een ander evangelie preken, vervloekt zijn. (3.3)

Cyprianus verwijst naar een brief van de Romeinse aan de Carthageense geestelijkheid (een brief die we niet meer hebben)

en een brief van de belijders Moyses, Maximus Nicostratus en anderen aan Saturninus, Aurelius en anderen. ( die we ook niet meer hebben). Deze brieven hielpen Cyprianus veel in zijn strijd. Deze brief van de Romeinse geestelijkheid aan de Carthageense geestelijkheid arriveerde terwijl Brief 20 van Cyrpianus nog naar hen in Rome onderweg was.

Opmerkingen:
  • Datering: late zomer van 250AD 
  • Cyprianus stuurt veel kopieen van andere brieven om elke onduidelijkheid weg te nemen over het door hem gekozen pad en dat dit het juiste is. Hij leert de Romeinse geestelijkheid hiermee hoe te handelen. 
  • Cyprianus neemt het initiatief om te zorgen dat de bisdommen van Noord Afrika en Rome unaniem zijn. 
  • Deze brief wordt naar Rome gebracht door de nieuw aangestelde geestelijken, de lector Saturus en de onder-diaken Optatus.(zie Brieven 29 en 35.1.1.) 
  • Cyprianus laat ons zien hoe belangrijk voor hem de bijbel is in de geestelijke vorming. 
  • Het gevaar dreigt dat martelaars en belijders de bisschoppen tot uitvoerders van hun plannen maken; Cyprianus moet de structuur van de kerk verdedigen. 
  • opvallend hoe degenen die afgevallen zijn, alles in het werk stellen om weer in de kerk te worden opgenomen, tot aan intimidatie toe. Zegt iets over de visie op eeuwig heil en de rol van de kerk daarbij. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 2 (Letters 28-54) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 44 van de serie Ancient Christian Writers.

donderdag 27 november 2014

Cyprianus - Brief 26 - Bisschop Cyprianus aan priesters en diakenen in Carthago

Deze brief is geschreven door bisschop Cyprianus aan zijn geestelijkheid in Carthago

Alle gelovigen moeten nederig en vreedzaam zijn en beven voor de woorden van de Heer, in het bijzonder wie afvallig zijn geworden. Door echte bekering en totale nederigheid moeten ze de gunst van de Heer proberen te verwerven.

Ik heb een brief gelezen van alle belijders, ze willen dat ik hun brief aan al mijn collegae laat lezen en dat we vrede geven aan hen die gevallen zijn maar van wie, na ons onderzoek, blijkt dat ze nu goed leven. (1.1)

Ik durf zo’n besluit niet te nemen zonder concilie met u allen. Intussen moeten we ons houden aan de brieven die ik jullie hierover schreef. Ik heb die brieven ook aan al mijn collegae gestuurd, en die hebben laten weten het eens te zijn met ons besluit en dat er niet van wordt afgeweken; de vrede moet eerst hersteld, dan kunnen we samenkomen, en elk geval afzonderlijk onderzoeken. (1.2)

Ik voeg aan deze brief mijn twee brieven van en aan Caldonius toe. (1.3)

Lees deze correspondentie voor aan onze broeders opdat zwaan hun eerste zonde niet nog meer zonde toevoegen. Ze moeten geduld hebben. (1.4)

Opmerkingen:
  • Datering: late zomer van 250AD 
  • Cyprianus slaagde er met deze brief niet in de kloof met zijn geestelijkheid te overbruggen. Die schreven aan hem meer vijandige brieven die we niet meer hebben. Zie brief 35. 
  • Cyprianus verwoordt de brief van de belijders nogal selectief. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.


Cyprianus - Brief 25 - Bisschop Cyprianus aan bisschop Caldonius

Deze brief is geschreven door bisschop Cyprianus aan bisschop Caldonius

Cyprianus prijst Caldonius, voor zijn integriteit en geloof, discretie en wijsheid, en voor zijn kennis van de Heilige Schirften.
Cyprianus zegt dat hij het eens is met het oordeel van Caldonius over hoe te handelen ten aanzien van de vier christenen die hij in brief 24 noemde.
Ze hebben in feite de vrede voor zichzelf hersteld door hun oprechte bekering en glorieuze belijdenis van de Heer. Ze hebben zichzelf gerechtvaardigd door hun eigen woorden, waardoor ze zichzelf eerder veroordeeld hadden. ze hebben al zonden weggewassen, met de hulp van de Heer aan hun kant, ze hebben hun vroegere smet weggeveegd door hun aansluitende vertoon van moed.
Cyprianus vindt dus dat deze mensen niet langer onder de macht van de duivel moeten zijn; door te zijn verbannen en hun bezit te zijn kwijtgeraakt zijn ze weer op de been geraakt en hebben ze hun positie ingenomen met Christus. (1.1)

Cyprianus zegt vervolgens dat hij een vijftal brieven die hij eerder aan zijn geestelijkheid stuurde, ook aan Caldonius stuurt. Deze brieven zijn door die geestelijkheid ‘ontvangen met hun instemming. Ze hebben teruggeschreven zeggende date zich voegen bij het zelfde beleid als dat van ons, in conformiteit met het katholieke geloof.’ (1.2)

Stuur dit document svp aan zoveel mogelijk collegae, zodat ze zich ook houden aan ons beleid in overeenstemming met de voorschriften van de Heer. (1.2)

Opmerkingen:
  • Datering: late zomer van 250AD 
  • Cyprianus gaat ervan uit dat zijn beleid in Carthago door de andere bisschoppen van Afrika wordt gevolgd. 
  • Het is niet duidelijk of Cyprianus vindt dat Caldonius goed heeft gehandeld tav de vier gelovigen - geeft hij in zijn bijgesloten vijf brieven in feite niet aan dat er nog een formele bisschoppelijke handeling moet plaatsvinden? 
  • De vijf brieven waarnaar Cyprianus refereert zijn zonder twijfel de brieven 15-19. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

Cyprianus - Brief 24 - Bisschop Caldonius aan Cyprianus met zijn priesters in Carthago

Deze brief is geschreven door de Afrikaanse bisschop Caldonius aan Cyprianus met zijn priesters in Carthago

Caldonius wil niet lichtvaardig verzoening schenken aan een viertal christenen die eerst aan de keizer hebben geofferd maar die, toen ze opnieuw getest werden, standvastig bleven en in ballingschap zijn gestuurd. Caldonius meent dat ze door huis en haard op te geven en zich te bekeren en Christus te volgen, hun eerdere fout hebben goedgemaakt.

Het gaat om Felix, assistent van de priesters in de tijd van Decimus. Felix werd naar Caldonius vastgeketend dus hij kent hem goed. Hij is met zijn vrouw Victoria en met Lucius in ballingschap gestuurd voor hun trouwe geloof. Hun bezittingen zijn aan de schatbewaarder [van de stad] vervallen.

Tijdens dezelfde vervolging werd Bona door haar man meegesleurd om te offeren. Ze heeft haar geweten niet besmet maar haar handen werden vastgehouden waardoor in wezen degenen die haar dwongen het offer brachten. Ze riep uit dat ze het zelf niet wilde en is toen in ballingschap gestuurd. (1.1)

Deze vier hebben we om verzoeningen gevraagd. Ze geloven, ze belijden Christus in het openbaar. Ik denk dat ze verzoening moeten ontvangen maar wilde eerst met jou spreken. Als je in de raad tot een besluit gekomen bent, laat het me weten. (1.2)

Opmerkingen:
  • Datering: zomer 250AD 
  • Caldonius is gevangen geweest maar weer vrij, misschien in ballingschap. Hij lijkt niet te weten dat Cyprianus gevlucht is en hij lijkt geen kennis te hebben van eerdere correspondentie van Cyprianus over dit thema. 
  • Dit briefje laat zien in wat een chaos de kerk medio 250 was. 
  • Caldonius was een Afrikaanse bisschop. (zie brief 57) Hij wordt in brief 57 als derde genoemd in een lijst van 42 bisschoppen. Duidt dit op senioriteit? Hij komt in latere brieven een aantal keer voor. 
  • Het briefje is slordig geschreven. Duidt dit op een educatieve kloof tussen Cyprianus en zijn collegae? Of is dit het gevolg van de barre tijden? 
  • Calcedonius schrijft vanuit veronderstelling dat Cyprianus en zijn priesters contact hebben en een concilie kunnen houden. 
  • Voor wie meent dat Rome in de oude kerk de centrale rol speelde moet het lastig zijn dat deze Afrikaanse bisschop om raad vraagt van de Carthaagse bisschop. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

donderdag 20 november 2014

Cyprianus - Brief 23 - Alle belijders in Carthago aan paus Cyprianus

Deze brief is geschreven door de belijders in Carthago aan bisschop Cyprianus

Dit is een letterlijke vertaling van dit uiterst korte en felle briefje:

Dit is om u te informeren dat wij allen samen vrede hebben geschonken aan hen wier gedrag sinds hun fout naar tevredenheid is, zoals je na onderzoek zult zien. Het is onze wens dat je deze resolutie (Latijn: formam) ook aan de andere bisschoppen bekend maakt, en het is ons verlangen dat je vrede zult hebben met de heilige martelaren. Geschreven door Lucianus, in de aanwezigheid van een exorcist en een lector van de geestelijkheid.

Opmerkingen:
  • Cyprianus zegt in brief 27, dat dit briefje (23) is geschreven als reactie op brief 15. In brief 15 wilde Cyprianus regelingen treffen met de martelaren en belijders, maar zijn pogingen werkten averechts. 
  • Het moet even geduurd hebben voor Cyprianus deze brief in handen kreeg. Er volgde nog wat correspondentie voor hij er op reageerde. 
  • Dit briefje laat zien hoe de martelaren en de belijders een tamelijk hoge status aan zichzelf toekenden; ze gaven zelfs aan een bisschop commandos. Ze proberen zelfs niet vriendelijk of tactisch te zijn. Je kan in elk geval zeggen dat ze zich om de gevallenen bekommerden. 
  • Het was onbeleefd dat de belijders zichzelf eerst noemden in dit briefje. Uit beleefdheid hadden ze eerst de geadresseerde moeten noemen. 
  • Het gebruik van het woord resolutie (formam) is opvallend. Het waren doorgaans de bischoppen die met dat woord hun besluiten in concilies introduceerden. 
  • Lucianus schrijft met twee getuigen. Dat pleit niet voor de kracht van het besluit. Het ging ook nog om ‘lagere’ geestelijkheid.
  • Cyprianus wordt in de aanhef 'papati' genoemd, papa, paus. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.