zaterdag 6 februari 2016

Vluchtelingen in Cairo: geen ‘vluchtelingenvraagstuk’

De meeste mensen op aarde wonen het liefst in hun eigen land en cultuur, dichtbij hun eigen familie en vrienden. Wie wegvlucht naar een ander land heeft daar doorgaans echt wel heel sterkte redenen voor. Voor mensen die ontsnappen aan oorlog en honger, bestaat er geen ‘vluchtelingenvraagstuk’. Ze nemen de benen, desnoods met wat risico’s, omdat hun leven en de onveiligheid te ondragelijk is geworden.
Some of our Sudanese church-leaders

Sinds bijna vijf jaar werk ik als Anglicaans priester in Heliopolis, een wijk van de Egyptische hoofdstuk Cairo. In mijn werk heb ik veel met Soedanese vluchtelingen te maken. Momenteel heb ik ruim 1100 Soedanezen als lid in mijn kerk, St Michael and all Angels. Dit heeft me ondergedompeld in hun problematiek als vluchteling, en dat is best een ‘vuurdoop’ geweest. Je krijgt als priester te maken met alle ups en downs van zo’n gemeenschap.

In plaats van een theoretische verhandeling over vluchtelingen, wil ik hier kort een  persoonlijk getint kijkje geven in de keuken van het leven van vluchtelingen waarmee ik dagelijks te maken heb. Dat zijn allemaal mensen van de Omarang-stam uit het (Noord) Soedanese Noeba Gebergte. In mijn werk word ik gemotiveerd door een kluster van beweegredenen: in overeenstemming met het Evangelie (en met mijn ‘baan’) heb ik de zorg voor mensen in nood; alle mensen hebben recht op hulp en bijstand; heden gij, morgen ik; we zitten als mensheid in hetzelfde bootje. En toch, soms denk ik ook bij mezelf, ‘waar doe ik het eigenlijk allemaal voor.’

Vluchteling in Egypte

Mijn Soedanese kerkleden die naar Egypte vluchtten, plaatsten zich daarmee onbedoeld in een bijbelse traditie. Jozef, Maria en Jezus werden politieke vluchtelingen in Egypte. Ze moesten de benen nemen voor de moordlustige dictator Herodes. De Koptische Kerk vertelt dit verhaal met veel traditionele details van generatie op generatie, en legt de nadruk op het feit dat God het land zegende omdat het de heilige familie gastvrij onthaalde.

We weten van Abraham die duizenden jaren eerder vanwege honger uit Kanaän naar Egypte vluchtte, met zijn vrouw en al zijn bezittingen. 'Foei Abraham, ben je een economische vluchteling? Een gelukzoeker?' Hij lijkt wel op een Syrische vluchteling met nota bene een mobiele telefoon! Abraham geraakte al snel in politieke problemen in Egypte en werd door de regering het land weer uitgezet.

Jozef kwam naar Egypte: een duidelijk geval van mensenhandel, want zijn eigen broers hadden hem verkocht. Als buitenlander kwam hij in de gevangenis terecht ‘Zitten onze gevangenissen niet vol buitenlanders?’ Het liep goed af met Jozef want uiteindelijk werd hij een belangrijke adviseur voor de regering en hij redde Egypt van de honger. ‘Goed-opgeleide vluchtelingen kunnen een goede rol in ons land spelen!’

Jozef’s eigen vader en broers kwamen uiteindelijk ook naar Egypte, opgejaagd door de honger in Kanaän. De Egyptische regering stimuleerde de gezinshereniging. ‘Jozef had natuurlijk wel een goede baan en was niet zomaar een bijstandtrekker.’

Na een paar eeuwen waren de Egyptenaren de nakomelingen van Jozef en zijn broers zat; ze waren vergeten wat voor goede economische rol ze ooit hadden gespeeld en dat ze geen vlieg kwaad deden. Ze werden dus steeds slechter behandeld door de Egyptenaren, en dat met de politieke steun van de overheid. Voor veel Soedanezen vandaag de dag is dit de situatie in Egypte. Ze worden door veel Egyptenaren niet gewaardeerd, en het is altijd leuk ze te pesten nietwaar? Het is echt heel normaal voor mijn Soedanese kerkleden om op straat te worden aangesproken - toegeschreeuwd - als ‘ye 3bd’, he slaaf! En mannen, vrouwen en kinderen moeten altijd uitkijken voor de stenen die naar ze worden gegooid. Ze zijn zwart, per slot van rekening.

Alles beter dan Soedan

Stenen naar je hoofd krijgen, en de kanonnade aan scheldwoorden, is altijd nog beter dan de bommen van de Toepolev bommenwerpers die de regering van Khartoum bijna dagelijks naar het Noeba-Gebergte stuurt voor bombardementen op dorpjes, ziekenhuizen, scholen. En beter dan de beschietingen van boeren die gewoon hun land proberen te bewerken. Egypte is dan we geen paradijs, maar het is er veilig.

Arabische vluchtelingen hebben het veel beter in Egypte. Ze zijn niet zwart natuurlijk, maar ze zijn ook veel beter dan de Soedanezen in staat om in de Egyptische economie te integreren. Ze zijn vaak ook met meer geld naar Egypte gekomen dan hun Soedanese collega-vluchtelingen die doorgaans alleen met een koffertje met kleren maar zonder geld Egypte binnenkomen. Dat wil overigens niet zeggen dat de gemiddelde Egyptenaar niet liever minder Syriërs, minder Irakezen, minder Libiërs heeft. Hun aantallen worden doorgaans enorm overdreven, wat waarschijnlijk niet alleen aangeeft dat Egyptenaren vaak moeite hebben met realistische schattingen, maar ook dat ze eigenlijk vinden dat er teveel van die mensen zijn.

Naar schatting zijn er in Cairo ongeveer 12.000 Omarang. Ze strijken bijna allemaal neer in een paar volkswijken ten oosten van Cairo. Vijf jaar geleden waren en maar 2.500 Omarang in deze buurten. In 2011 laaide de burgeroorlog in Soedan weer op, en veel Omprang trokken daarom eerst naar Khartoum, om vervolgens per trein en boot van Aswan in Zuid Egypte te reizen, en vervolgens nog 1000 kilometer naar Cairo.

Onder mijn gemeenteleden zijn opmerkelijke overeenkomsten. Drie-kwart van de ca. 500 kinderen heeft een van de ouders verloren in de oorlog; veel kinderen wonen bij ooms of tantes; niemand durft het onderwerp van de emotionele smart aan te tippen uit vrees voor een vulkaan van pijn. Van de volwassenen hebben velen hun middelbare school nooit afgemaakt - want tientallen jaren van burgeroorlog hebben gezorgd voor absenties op school - als de school niet gebombardeerd was. Veel van mijn volwassen gemeenteleden kunnen dus niet goed lezen en schrijven.

Werk

Gelukkig hebben we ook goed-opgeleide mannen (en zelfs wat vrouwen) in de kerk. Dat zijn de mensen op wie ik kan steunen in het leiderschap. Een van hen, Shawgi Kori, had een goede baan met de Verenigde Naties in Soedan nadat hij in India was opgeleid tot jurist. Op zulke mannen kan ik bouwen.

Toen we vorig jaar voor de kinderen in onze kerk een eigen lagere school opzetten, de St Raphael School, hadden we geen enkele moeite om in onze gemeenschap acht gediplomeerde ervaren onderwijzers te vinden: mannen en vrouwen die in Soedan waren opgeleid en die daar jarenlang op lagere scholen les gaven. Onder onze vluchtelingen is ook een vrouwelijke arts - een steunpilaar voor de gemeenschap.

Maar dan neemt niet weg dat het leiding geven aan deze gemeenschap een stevige kluif is. Gelukkig hebben we een Soedanese priester die zelf uit deze Omprang gemeenschap afkomstig is. Hij is door aartsbisschop Ezekiel van de Anglicaanse kerken in Soedan naar ons gestuurd om mijn assistant-priester te zijn. Maar ook hij is semi-opgeleid en volgt nu in Cairo een theologische opleiding. Bovendien moest hij enorm wennen aan het feit dat de Omarang-gemeenschap in Cairo niet meer dezelfde is als wat ze in Soedan was.

Omdat deze mensen uit hun eigen sociaal-economische context van het Noeba-Gebergte zijn overgeplant in andere omstandigheden in Egypte, is hun wereldbeeld - inclusief hun moraliteit - onder druk komen te staan. Is dat wat je onder alle vluchtelingen ziet? Enerzijds is de interesse in alles wat met de eigen taal en cultuur te maken heeft groot, want het maakt deel uit van de eigen identiteit. Anderzijds, in Egypte is alles anders. De landbouwers wonen nu in appartementen drie hoog, met gas, water en electra. En waarachtig, met een toilet. Vergeleken met het thuisland is in Egypte alles moderner. Vooral voor de jongeren in de kerk heeft dit andere meer geleid tot meer afstand tot hun ouderlijke waardenpatronen. De sociale controle is minder, de vrijheden zijn groter.

Heel opvallend in de Omarang-gemeesnchap in Cairo, is hoe ze voor elkaar zorgen. Uitkeringen van de overheid krijgen ze niet, dus ze moeten hun eigen boontjes doppen. Dat gaat ze niet slecht af, getuige het feit dat mensen alleen in noodgevallen bij ons als kerk aankloppen voor hulp. Dat is dan voornamelijk voor medische noodgevallen. Als vluchtelingen krijgen ze theoretisch hulp van UNHCR maar in de praktijk - door corruptie, is mijn vermoeden - komt nauwelijks hulp onze vluchtelingen terecht. We betalen dus voor tientallen ziekenhuisopnames per jaar.

Opvallend vind ik dat deze Omarang tamelijk goed baantjes kunnen vinden waarmee ze het hoofd boven water houden, zonder enige uitkering. Soedanese vrouwen zin tamelijk gewild als huishoudelijk hulp, en de mannen vinden vaak wel wat als dagloners in de bouw. Daarmee verdient het gemiddelde echtpaar samen per maand iets van LE2.500, net iets minder dan 300 Euro. Dat is niet minder dan waar 90% van de Egyptenaren van moet leven. En je kunt er een mobiele telefoon mee betalen.

Moslims en Christenen

De Omarang in Cairo zijn een afspiegeling van hun stammen in het Noeba-Gebergte, en dus zijn de mensen die hier als vluchtelingen arriveren zowel Moslims als Christenen. Opvallend is dat de scheidslijn tussen Moslims en Christenen gewoon dwars door families loopt, en dat dit weinig invloed heeft op de goede familiebanden. Misschien is dat wel de verdienste van de Soedanese president Omar al-Basheer, die met zijn niet aflatende aanvallen op de Omarang gezorgd heeft dat de leden van die stam zich sterk verenigd voelen in hun verzet tegen de regering van Khartoum. Onlangs organiseerden we in onze kerk een bijeenkomst met alle community-leaders van de Omarang in Cairo: Dat was een bont gezelschap van imams, priesters en predikanten, leiders van het politieke en gewapende verzet tegen de regering-Khartoum, journalisten. Er was geen vleugje spanning tussen deze mannen en vrouwen, want er is een gezamenlijke vijand.

Voor veel moslims in het Noeba-Gebergte is de stap om christen te worden makkelijk gezet. Velen van hen zijn zo beschaamd over de islamitische regering in Khartoum die de aanval heeft ingezet op hun Noeba-Gebergte, dat ze weinig sympathie hebben voor die religie van Khartoum. Ditzelfde proces heeft zich ook voltrokken in Zuid Soedan, sinds 2011 onafhankelijk van Noord Soedan. Toen in de jaren ’80 een burgeroorlog ontstond van het Islamitsiche noorden tegen het merendeels animistische zuiden, zorgde die oorlog dat veel animisten zich tot de kerk keerden - beslist niet de bedoeling van Khartoum.

Tussen het Noeba-Gebergte en Duitsland

Dorpje in het Noeba-Gebergte
De Omarang in mijn kerk zitten gevoelsmatig in een spreidstand; ze leven intensief mee met wat in het Noeba-Gebergte gebeurt. Via internet en telefoon houdt men elkaar op de hoogte van wat gaande is. We weten in Cairo bijna direct wanneer weer een golf van bombardementen plaatsvindt - niet door de wereldpers die zich om het Noeba-Gebegte niet bekommerd, maar gewoon omdat familieleden vertellen waar de bommen vallen en wie er is gedood.

Veel van de vluchtelingen praten graag over terugkeren naar hun vaderland. Als ik ze dan vraag wat hun kinderen ervan denken, dan erkennen ze dat het nauwelijks een optie is. ‘We willen toch goed onderwijs voor onze kinderen? We willen een toekomst voor onze kinderen. dat is gewoon
ondenkbaar als we teruggaan.’ En wat een grote rol speelt is de eerder genoemde modernisering die heeft plaatsgevonden onder de Omarang in Cairo. ‘Mijn kinderen krijg ik echt niet meer op een latrine achter ons huis in de bergen’, vertelde een vrouw me. ‘Ik wil dat soort leven trouwens ook niet meer…’

Dus lokt Duitsland. Dat is dezer dagen het land dat wijd openstaat. Maar ook de Verenigde Staten en Australie gaan door met Omarang toe te laten. Tot mijn verbazing vertrok twee jaar geleden mijn assistent-priester naar Finland. Arme mensen, wat voor leven wacht ze daar. Te koud, te Fins. Maar alles beter dan de oorlog in het Omarang-Gebergte, lijken mijn gemeenteleden te denken.

De ene optie die ze in elk geval niet serieus nemen, is in Egypte te blijven, 'in de regio'. Toch doe ik alles wat ik kan om ze meer vertrouwen, meer bestaanszekerheid te geven in Cairo. In zoveel opzichten is de cultuur hier prettiger voor Omarang dan de individualistische westerse cultuur waar het bovendien in de winter snerpend koud is. Maar ik heb makkelijk praten. Ik ben niet zwart. Ik word niet dagelijks ‘slaaf’ genoemd en ik hoef niet voortdurend op mijn hoede te zijn voor stenen die naar mijn hoofd gegooid worden.

Onze klus

Dus voor zover het in mijn macht ligt, ga ik door om deze gemeenschap hier in Cairo te steunen. Ik wil in elk geval zorgen dat ze niet op kleine bootjes naar Italie gaan. Vanuit Egypte worden veel mensen vanuit Damietta overgebracht, tegen goede betaling uiteraard. Ik weet van geen van mijn Omarang, dat ze dit van plan zijn.

Die gemeenschap van Omprang in Cairo blijft groeien, ondanks dat regelmatig kerkleden naar westerse landen mogen emigreren. Maandelijks stellen een paar nieuwe gezinnen zich in onze kerk voor. De stress om hulp te bieden, om een warme gemeenschap te zijn, om deze vluchtelingen door hun moeilijkste tijd te helpen, is groot. De middelen zijn gering. En we weten ook dat het allemaal tijdelijk is; ze blijven hier niet hangen. Maar het geeft niet. Alle mensen, juist de zwaksten, hebben recht op een arm om de schouders. En voor mij motiveert bovendien het woord van Jezus dat wat we aan de minste doen, we aan Hem doen. In elk mensen zien we Hem, als we die mens dienen. Laat de politici het maar hebben over het ‘vluchtelingenvraagstuk’. Ze hebben een serieuze klus te klaren. Mijn klus, de klus van de kerk, is om mensen in nood bij te staan.

zaterdag 30 januari 2016

Boekbespreking: Johan Klein Haneveld, De Loser die Wint; als God je verhaal vertelt (Buijten en Schipperheijn Motief, Amsterdam)

Johan Klein Haneveld schreef in 2015 een heel persoonlijk boek, De Loser die Wint; als God je verhaal vertelt (Buijten en Schipperheijn Motief, Amsterdam). Ik vond dit een waardevol boek om te lezen, vooral tegen het licht van wie de schrijver is, en de persoonlijke worsteling die hij beschrijft; een worsteling met het gevoel nooit te voldoen aan de eisen van God. Veel christenen stappen daar luchtig overheen, alsof ze hun eigen geloof niet serieus nemen; voor de uiterst serieuze en consciëntieuze Johan leidde dit tot innerlijke conflicten, en tot overspanning. Dit boekje lijkt daar duidelijk een antwoord op te zijn en dat maakt het interessant leesvoer. Het gaat niet alleen maar over Johan’s theologische visie, maar om wat hem op het pad zette van geloof zonder teveel stress.

Omdat het een persoonlijk verslag is, is een bespreking een beetje hachelijk. Het gaat in ieder geval om wat de schrijver enorm heeft geholpen. Maar we worden ook op een Groot Verhaal getrakteerd dat om een reactie van de lezer vraagt.

Laat me beginnen met te zeggen dat ik de grote lijn van het verhaal verfrissend en behulpzaam vond.  Ik las het met grote plezier.  De schrijver benadert het christelijk geloof niet als een serie dogma’s, maar als een groot verhaal waarin we als gelovige binnentreden door het geloof in Jezus Christus. Misschien is het mijn persoonlijk gebrek aan interesse voor systematische theologie (“wat kunnen we zeggen over God) en mijn interesse in bijbelse theologie (“hoe handelt God in onze wereld”) dat me meteen sympathiek doet reageren op Johan’s ‘Grote Verhaal’. Hij presenteert het christelijke verhaal als het mooiste dat er is - het gaat over een God die de wereld maakte waarin waarheid, schoonheid en liefde centraal staan. Door mensen in vrijheid te scheppen maakte God zichzelf zwak, en dat zwakke van God werd vooral zichtbaar in de dood van Jezus. Het is zwakte dat in het verhaal van God wint.

Ik vind deze benadering behulpzaam; teveel wordt door christenen een soort super-christendom gepreekt waarbij het gaat om winnen, sterk-zijn, succesvol zijn, rijk zijn. Ik heb een broertje dood aan alles wat riekt naar Prosperity Gospel en dat die benadering van christelijke geloof mensen ziek kan maken, bleek wel uit de burn-out van de schrijver. Dat God naar ons toe komt met liefde en vergeving en dat we niet zo nodig van alles en nog wat moeten, dat is een goede nadruk die dit boek legt. Mensen die verstrikt zitten in een christelijk geloof waarin ze voortgejaagd en afgemat worden, doen er goed aan dit boek - het verhaal van Johan - goed te lezen. Ik kan het van harte aanbevelen.

Dat wil niet zeggen dat ik het met alles eens ben, en dat is precies op die gebieden waarvan ik denk, daar had iets meer systematische theologie toch geholpen. Een kleine voorbeeld is dat het boek wel erg eenzijdig de nadruk legt op dat we niets zo nodig 'moeten'.  Zo wordt Galaten 5:22 over de vrucht van de Geest gebruikt om te laten zien dat we eigenlijk niets hoeven te doen, want vruchten groeien vanzelf. Ik heb dat vaak gehoord, maar ik denk dat dit te eenzijdig is. Het suggereert me een te dualistisch wereldbeeld - een wereldbeeld waar de schrijver terecht vanaf wil, maar wees dan ook radicaal: we kunnen het werk van God niet uitspelen tegen wat hij van de mens vraagt. Het Nieuwe Testament staat wel degelijk vol geboden en verboden en die staan er niet om achterover te leunen en te denken: God moet dat zelf maar in me werken, ik kan dat niet zelf.

Ik deel ook de visie op het slot van het verhaal van God niet. Ik geloof niet in Alverzoening. Als mensen zich bewust buiten het verhaal van God plaatsen, dan hebben ze die ruimte. Maar dan schrijft God ze niet tegen hun zin terug het verhaal in. Er is een buitenste duisternis, en wie de Zoon niet heeft, heeft het leven niet. Ook niet later via een omweg.

Een laatste kritische noot, en ik zou graag eens met de schrijver verder praten over deze dingen, is dat ik het verhaal te individualistisch vind. Misschien is dat onvermijdelijk omdat het mede een persoonlijk verhaal is. Maar het verhaal van God in de bijbel is niet het verhaal van individuen, maar het verhaal van een volk. Het evangelie is wel persoonlijk, maar niet individualistisch. God bevrijdde een volk uit Egypte, Christus hervormde dat volk, en wij leven als Kerk samen. 

Misschien dat meer nadruk op dat volk-zijn ook een andere visie kan geven op de dwang van wat we als christenen allemaal moeten doen; we hoeven het niet alleen te doen maar samen. En een volk is tastbaar - niet iets etherisch. Een volk bekommert zich om waarheid, schoonheid en liefde - met elkaar. Een volk evangeliseert niet alleen, maar leeft samen. En daarom kan dat volk zich samen ook verheugen over een aquarium, over een reis naar India, over een goede sigaar en een glas wijn, over samen eten, samen genieten samen leven.  Dat lijkt me een prima medicijn tegen burn-out.  

Nogmaals, van harte aanbevolen. Maar Johan, laten we eens een afspraak maken als ik in Den Haag ben. Leuker nog, kom met je vrouw een keer langs in Egypte.

dinsdag 5 januari 2016

Vijf jaar Arabische Lente

Tarek el-Tayeb Mohamed Bouazizi stak zichzelf in brand in the Tunesische stad Sidi Bouzid op 17 december 2010, vandaag precies vijf jaar geleden. Hij overleed ruim twee weken later aan zijn verwondingen.  Zijn dood wakkerde de Tunesische volkswoede aan, waardoor de Tunesische president Zine Abidine Ben Ali op 14 januari 2011 werd gedwongen af te treden.    

De Arabische wereld zag dat een volksopstand tegen een dictator succesvol kan zijn, en het vuur sloeg snel over naar Egypte, Lybie, Bahrain, Syrie, Jemen.  Je zou kunnen zeggen, de protestdaad van Bouazizi zorgde voor miljoenen Syrische vluchtelingen en voor de terreurbeweging ISIS.

Bouazizi was een arme fruitverkoper in een Tunesische provinciestad. De middelbare school had hij niet afgemaakt.  Jarenlang was hij al lastiggevallen door politiemannen die hem kleine bedragen afpersten, zoals dat in veel Arabische landen gaat. 

In Egypte is het heel normaal dat kleine handelaars op straat hun handelswaar kwijtraken omdat de politie het meeneemt.  Dan kunnen ze dat een uur later op het politiebureau weer ophalen, tegen betaling uiteraard. In de meeste Arabische landen is de politie beslist niet je beste vriend. 

Voor Bouazizi was de maat vol.  Hij werd net een keer teveel getreiterd. Zijn weegschaal was geconfiskeerd, en hij ging klagen bij de gouverneur van Sidi Bouzid.  Toen die hem niet wilde ontvangen, kocht Bouazizi een jerrycan benzine en midden tussen het verkeer en voor het kantoor van de gouverneur, stak hij zich in brand om half 12 in de morgen. 

Voor de meeste Tunesiërs is Bouazizi nu een held, want de opstand in Tunesië is schijnbaar geslaagd. Hij wordt als held en martelaar beschouwd - enkeltje paradijs dus.  In Sidi Bouzid is een standbeeld van zijn groentekar voor hem onthuld.  

Maar voor de vijf miljoen Syrische vluchtelingen is hij natuurlijk helemaal geen held.  De Arabische Lente is een hel voor Syrie. En in Egypte vervloeken de meesten de opstanden die in 2011 op het Tahrir plein in Cairo begonnen, want die hebben vooral veel ellende opgeleverd.

Als Bouazizi vijf minuten voor hij zichzelf aanstak, had geweten wat hij zou veroorzaken, wat zou hij dan hebben gedaan?  En als de eerste demonstranten op Tahir hadden geweten dat Egypte vijf jaar later een veel robuuster dictatuur zou kennen dan in 2011? Zou het westen hebben geholpen van Kaddafi af te komen als het wist hoe het land er in 2015 uit zou zien? 

Zouden we als Nederlanders de opstand tegen de Syrische president al-Assad hebben gesteund als we wisten dat dit een paar jaar later zou zorgen voor volle asielzoekerscentra in Nederland? En zouden we die asielzoekers zo blijmoedig hebben binnengelaten als we zouden weten wat dit over tien jaar voor gevolgen in Nederland heeft? 

Met die laatste vraag komen we bij de kern van de zaak.  We weten eigenlijk niet wat onze daden vandaag voor invloed hebben.  Een schijnbaar onbeduidende daad van Bouazizi - pijnlijk voor hemzelf maar ogenschijnlijk onopvallend in het geheel der dingen - kan dramatische gevolgen hebben op wereldniveau.  

En stel je je nou voor dat die Bouazizi die dag niet was lastig gevallen door de politie; of als hij zijn middelbare school had kunnen afmaken; of als hij die morgen een aardige klant had gehad, die hem vriendelijk had aangesproken, of die hem had geholpen met zijn spullen van de politie terughalen? Dan was hij niet zo depressief geweest, en dan had hij zichzelf niet in brand gestoken.   

Zou Tunis dan nog steeds door een dictator worden geleid? Zouden we dan die Syrische vluchtelingenstroom niet hebben in Europa? Zouden er dan geen kleine honderd journalisten in de gevangenis zitten in Egypte? Zou Libie dan vreedzamer zijn onder ex-dictator Kaddafi?

De wereldgeschiedenis en ons leven zijn in veel opzichten een raadsel. Als we erop terugkijken kunnen we er misschien een mooie verhaal van bakken, als het ons niet teveel heeft tegengezeten. Maar zolang we er middenin zitten is er soms geen touw aan vast te knopen. 
Wat we vandaag doen of laten kan grote gevolgen hebben voor onszelf en voor anderen, maar het is onmogelijk om te voorspellen of dat, wat we vandaag doen, over vijf jaar heel positieve of heel negatieve uitwerkingen heeft. We zijn dus in wezen allemaal ‘kortzichtig’ - we kunnen niet in de toekomst kijken.

Dus rest ons niets dan vandaag te doen wat we denken dat vandaag goed is; we kunnen doorgaans nauwelijks weten wat de lange-termijn gevolgen zijn van ons handelen.  Dat zie je aan de dwaze daad van Bouazizi, maar het geldt net zo goed voor onze keuzes met betrekking tot de vluchtelingenstroom die in zekere zin door Bouazizi is veroorzaakt. 








dinsdag 25 augustus 2015

Did Jesus tell Jewish people they could eat pork?

I think Jesus did.

18 And he said to them, “Then are you also without understanding? Do you not see that whatever goes into a person from outside cannot defile him, 19 since it enters not his heart but his stomach, and is expelled?” (Thus he declared all foods clean.) 20 And he said, “What comes out of a person is what defiles him. 21 For from within, out of the heart of man, come evil thoughts, sexual immorality, theft, murder, adultery, coveting, wickedness, deceit, sensuality, envy, slander, pride, foolishness. 23 All these evil things come from within, and they defile a person.” Mark 7:18-23

“Whatever goes into a person from outside cannot defile him”: this is a categorical statement. “Whatever” is PAN in Greek, meaning ‘all things’. All things that enter (or, whatsoever enters) into a man from the outside, cannot make him unclean. The statement is meant to mean the opposite of: “What comes out of a person is what defiles him.”

The issue is direction. What comes from outside into man does not make him unclean, but what starts inside man, and goes out, that is the real issue.

What goes into man is about food and drinks. The discussion started with Jesus being criticized for his disciples not washing their hands. Jewish law assumed that not washing hands could make people unclean as you never knew what you might have touched. Jesus, however, makes the discussion broader. He does not focus on whether people should wash their hands or not - he says that dirty hands, or anything that enters into the stomach, is unimportant in regard to defilement. It cannot impact our relationship with God because it is about the stomach, not about the heart.

The heart is the source of sin, Jesus says. The bad ideas and attitudes of our heart, they defile us. Not what we touch or eat.  No love, that defiles us.

Mark thought that this concept was so important, that he interjected a few words. In verse 19 he says: ‘Thus he declared all foods clean”. In Jewish society, this was a radical conclusion. But even today, some Christians who are much in favor of the Jewish lifestyle, cannot accept this idea. They prefer to see Jesus as one who abided by all Jewish laws.

So they suggest that the stament: ‘Thus he declared all foods clean", should be read differently. Literally the words say, ‘cleaning all foods’. Most bible translators believe this to mean that Mark suggests that Jesus here declared all food clean. Some, however, say that this cannot be, and that the words refer to the immediate words before it: “whatever goes into a man from the outside cannot defile him since it […] enters his stomach, and so passes on.” The Greek term refers to the latrine.

What is this? By the “passing on” the food is cleansed? This seems too strange to be taken seriously, but some people will do anything to avoid the idea that Jesus simply said: eat whatever you like, eat pork if you want, for God it does not matter.

For the early Christians from Jewish and non-Jewish backgrounds, this issue was incredibly important. The early church had as a focal point of its worshipful life, the table-fellowship of all believers. Food could not be allowed to separate people and the Jewish followers of Jesus therefore had to understand that to eat or not to eat was not important at all compared to mutual love and community.

For Jesus and the apostles it was unthinkable that for the sake of Jewish habits, the unity of the one Body of Christ could be broken. Hence Jesus’ focus on matters of the heart instead of whether we wash our hands or not. Superficial cultural matters like what we eat or drink - and we can add many things to this list - must never be allowed to divide Christians into groups that cannot enjoy close relationships.  

That this is the correct reading of these words of Jesus is confirmed by how Peter and Paul often write about similar food-related matters.  Think of Peter who was told in a dream to eat all sorts of 'impure' animals, before God send him into the home of the Roman soldier Cornelius (Acts 10).      




vrijdag 14 augustus 2015

Hema-worst doet me nog altijd watertanden

‘Welcome to Egypt, Mister!’ Vaak zeggen mensen dit op straat in Cairo tegen me, als 27 jaar. Kinderen roepen het me vaak vriendelijke toe. Het is vriendelijk bedoeld, maar ik kan me er zo aan ergeren. Want elke keer onderstreept het dat ik, zelfs na meer dan een kwart eeuw in Egypte te hebben gewoond, nog steeds een outsider ben.

En hoewel ik me in Egypte enorm op mijn gemak voel, moet ik eerlijk zijn: een buitenstaander zal ik altijd blijven. Aan allerlei Egyptische gewoontes ben ik al lang gewend, en ik doe daar zonder nadenken aan mee. Mannen zoenen bijvoorbeeld. In Nederland, nee dank u. In Egypte vind ik het normaal. Andere Nederlandse gewoontes raak ik nooit kwijt. Als ‘man van de klok’ moet mezelf dwingen om me niet op te winden als mensen me gerust een uur laten wachten. Allerlei gewoontes die je van kindsbeen hebt, krijg je er niet meer uit. Hema-worst doet me nog altijd watertanden, en Feijenoorder ben je voor het leven.

Natuurlijk ben ik als westerling in Egypte het soort vreemdeling dat het niet moeilijk heeft. Ik heb mijn salaris en mijn paspoort waardoor ik wanneer ik maar wil naar Nederland kan vliegen om mijn kinderen te bezoeken. En als Egyptenaren me voor de zoveelste keer khawaga, vreemdeling, noemen, is dat doorgaans met respect en jaloezie. Velen zouden graag met me ruilen. Maar het onderstreept wel - je hoort er niet bij. Ik heb geprobeerd het Egyptische paspoort te krijgen maar dat is voor mij onmogelijk. Aan een vreemde christelijke man zal Egypte nimmer het paspoort verstrekken. ‘Je bent niet een van ons en dat zal je ook nooit worden’, is de boodschap.

De 1100 Soedanese vluchtelingen die ik in de kerk onder mijn hoede heb, worden op een heel andere manier als vreemdeling behandeld. Ze krijgen stenen naar hun hoofd, ze worden op straat in elkaar geslagen, ze worden bestolen, en ze worden voortdurend op hun zwarte huidskleur gewezen. Het is heel gebruikelijk dat ze ‘abd, slaaf, worden genoemd.

In de spiegel van dit nooit-aflatende onderscheid dat Egyptenaren telkens maken tussen ‘wij Egyptenaren’ en ‘al die anderen’, heb ik ontdekt dat ook ikzelf vol racisme zit. Nee, ik gooi natuurlijk geen stenen naar Soedanezen, en ik noem ze geen slaaf. Ik verwijt het Egyptenaren niet dat ze zich als Egyptenaren gedragen. Ik ben een beschaafde Nederlander, zoiets doe je niet; ik aanvaard de mensen zoals ze zijn, eh, nou ja, dat probeer ik. Maar in mijn gedachten heb ook ik de neiging om de mensheid in hokjes in te delen en om er van uit te gaan dat de mensen binnen mijn eigen hokje (blanke Nederlanders) de norm zijn van alle dingen. En ook ik neig ernaar om meer nadruk te leggen op wat ons onderscheid van anderen, dan op wat ons bindt.

Ik heb geen zin om elke keer de vraag te moeten beantwoorden welk land ik fijner vind, Egypte of Nederland… maar steeds krijg ik die vraag. Laat me nou gewoon mezelf zijn; onderstreep niet steeds dat ik er niet bij hoor! Maar in Nederland doen we het toch precies zo? We gebruiken om te beginnen die rare woorden autochtoon en allochtoon. Die arme allochtonen willen gewoon Nederlander zijn maar krijgen steeds weer het stempel opgedrukt: je hoort er niet echt bij. Je bent anders.

We geven mensen het stempel: je bent anders, en vervolgens worden we sacherijnig dat ze zich anders gedragen. Een onmogelijk advies natuurlijk. Je bent nu eenmaal anders, dat zit er in en gaat er nooit meer uit. Dat gaat niet uit een Marokkaan, het gaat niet uit een Syrische vluchtelingen, en niet uit een Pool. En de Nigerianen en Ghanesen in Nederland blijven altijd anders.

Maar ze willen zo graag normaal zijn - erbij horen. Ze wonen in ons land omdat ze ons land prettig vinden, en wij hebben ze als samenleving en als staat de toegang verleent. Wat moet het dan prettig voor ze zijn om niet door de blanke Nederlanders steeds op hun afkomst te worden gewezen, ook niet als dat vriendelijk is bedoeld.

Hoewel, die allochtonen in Nederland zijn op hun beurt ook weer heel racistisch vermoed ik. Het zit gewoon in ons allemaal… Ik was een paar weken geleden in Den Haag getuige van een ruzie van een Hindoestaanse moeder die haar dochter van 15 mee had genomen naar een Turks restaurant om de Turk achter de toonbank de huid vol te schelden. ‘Jij moet met je vieze Turkse poten van mijn dochter afblijven. Pak jij maar meisjes van je eigen volk.’ Ja, ze zei ‘eigen volk’, tegen die Nederlandse Turk. 

Waarom is het toch zo moeilijk voor ons om de ander in de eerste plaats en vooral te zien als mens, als uniek beeld van God.