zondag 23 januari 2011

Gaat Egypte deze week massaal demonstreren?

Via Facebook hebben tienduizenden Egyptenaren toegezegd dat ze dinsdag aanstaande gaan demonstreren tegen marteling, armoede en corruptie. Dinsdag wordt de Dag van de Opstand genoemd. Het gaat heel interessant worden om te zien of er inderdaad serieus protest gaat ontstaan hier in Egypte. De zeer populaire Mohammed ElBaradei, voormalige directeur van de nucleaire waakhond van de Verenigde Naties, heeft gezegd dat Egypte een opstand als die in Tunesie nodig heeft.

Of er inderdaad tienduizenden de straat opgaan is maar de vraag. De vrees voor de harde hand van de politie en het leger is groot. Dinsdag heeft overigens heel Egypte vrij - het is Politiedag.

Vandaag zag ik een kleine demonstratie tegenover het hoofdkantoor van de ten onrechte zo genoemde Nationale Democratische Partij (NDP) in de binnenstad van Cairo. De afgelopen dagen hebben zes Egyptenaren zich in brand gestoken - een van hen overleed aan zijn verwondingen. De wanhoop is groot.

Gregorius 1.2: Doe zelf wat je anderen onderwijst

Gregorius de Grote:
Boek van Pastorale Regels


DEEL 1: Betreffende de kwalificaties van degene die tot een positie van geestelijk leiderschap komt

Para 1: zie hier
Para 2: Niemand moet leider worden die niet in de
praktijk kan brengen wat zijn studie hem leert

Er zijn sommigen die geestelijke voorschriften onderzoeken met grote zorg maar die vertreden wat ze analyseren door hun manier van leven. Haastig vertonen ze wat ze, niet in de praktijk maar door studie hebben geleerd. En precies op die woorden die ze onderwijzen werpen ze twijfel door hun gewoontes.

Gregorius valt hier orthodoxe theologen aan die zich in hun levensstijl niet houden aan de orthopraxie. Wie het Evangelie goed verkondigt maar er niet naar leeft, zaait al doende twijfel aan zijn eigen woorden.
[Het is als] wanneer een herder op de steile helling loopt en de schapen hem naar de afgrond volgen [...] Zulke herders drinken het zuiverste water als ze met een accuraat begrip de stromen van de waarheid indrinken, maar ze [maken] dat water [vies] als ze de studie van heilige meditatie vertroebelen met een slecht leven. Het is duidelijk dat de schapen drinken wat modderig is geworden door de [herder], als ze als onderdanen niet luisteren naar de woorden die ze horen maar als ze de verwerpelijke voorbeelden die ze observeren, imiteren. Terwijl de leken dorsten naar wat werd gezegd, worden ze geperverteerd door de werken van de herder alsof ze modder uit een vervuilde fontein drinken. [...] De Heer spreekt tegen de [slechte] priesters door de profeet: ‘ze werden een struikelblok van ongerechtigheid voor het huis van Israel.’

Geestelijke leiders die Christelijk geloof goed verkondigen maar een slecht voorbeeld geven, dreigen de schapen in de afgrond te storten; ze geven de kudde vuil water te drinken. Ze vormen een struikelblok voor het volk van God.
Niemand doet meer kwaad in de kerk dan hij die de titel of de rang van heiligheid heeft en pervers handelt. Dat is omdat geen leek zich verwaardigt om de overtreder te vermanen. Bovendien, omdat zo’n zondaar door de waardigheid van zijn rang wordt geëerd, verspreiden zijn overtredingen zich aanzienlijk door het voorbeeld.

De waarheid van wat Gregorius hier zegt, is de afgelopen jaren meer dan duidelijk geworden in de kindermisbruikkwestie. Wat een smet werpt dat op de kerk. Te lang kon dat doorgaan, en hoe bekend is de zaak geworden. Niks is zo slecht voor de Kerk als het perverse handelen van haar leiders.
Toch zou een ieder die onwaardig is wegvluchten van zo’n grote last van de schuld als, met het aandachtige oor van zijn hart, hij de woorden van de Waarheid zou overwegen: ‘Hij die een van deze kleinen die in mij geloven doet struikelen, het zou beter voor hem zijn dat een molensteen om zijn nek was gehangen en hij in de diepte der zee werd gegooid.’

Omdat de straf voor wie de gemeenteleden met de zonde ten val brengt zo groot is, moet elke kerkleiders bevreesd wegvluchten van die verantwoording.
[...] Wie dus de schijn heeft van heiligheid maar met zijn woorden of daden een ander [mens] verwoest, het zou beter voor hem zijn dat zijn aardse daden, getoond door wereldse gewoonten, hem aan de dood binden dan dat zijn heilige ambt een bron van zondige imitatie wordt voor een ander [mens]. Werkelijk, zijn straf in de hel zou minder erg zijn als hij alleen zou zijn gevallen.

Paus Gregorius leert hier dus dat de eeuwige straf voor onheilig levende leiders in de Kerk verschrikkelijk is. Geen zelfgenoegzaamheid dus voor wie predikant, voorganger, diaken, priester of bisschop is. De verantwoording op de schouders is enorm, en zowel het (eeuwige) welzijn van de kudde als van de geestelijk leider staan op het spel.

zaterdag 22 januari 2011

Nu ben ik het eens niet met John Piper eens

Rev John Piper, een man wiens onderwijs en prediking ik zeer hoog acht, schreef van de week op zijn website een korte pensee over de Oude Kerk die ik hier in zijn geheel geef. En waar ik wat vraagtekens bij zet.

Beware of imputing advantage to antiquity. Seventy years after the death of Jesus the churches had neither the collected New Testament nor a living apostle. It was a precarious and embattled time. Neither the experiences nor the teachers of the first 300 years of the church are as reliable as the finished New Testament. The church did not rescue the New Testament from neglect and abuse. The New Testament rescued the early church from instability and error.
We are in a better position today to know Jesus Christ than anyone who lived from AD 100 to 300. They had only parts of the New Testament rather than the collected whole. That’s how valuable the fullness of revelation is in the finished Bible. Beware of idealizing the early church. She did not have your advantages!


Ik weet niet waarom Piper dit schrijft; was hij in gesprek met iemand die de Oude Kerk idealiseert? Dat moeten we niet doen. Ik geef toe dat door mijn aandacht voor de Kerk van de eerste paar honderd jaar, ik ook wel eens de indruk kan wekken dat ik dat doe. Nee dus. De Kerk was vanaf het begin een brede gemeenschap met alle mogelijke puisten en wratten. Maar daar gaat het me nu even niet over.

Wat me interesseert zijn de argumenten van John Piper. Ten eerste verwart hij ‘meer theologisch accuraat’ met ‘Jezus Christus kennen’. Tussen die twee is niet zo’n eenvoudige relatie. Iemand met een verstandelijke handicap kan theologisch dwalen, maar Jezus Christus werkelijk kennen. Het kennen van Christus vloeit niet alleen voort uit volmaakte theologie, zelfs niet uit de bijbel uit je hoofd kennen. Het ‘kennen’ van Christus is een hartskennis die feitenkennis overstijgt.

En kijk nou eens naar de theologische kennis van vandaag in de breedte. Geef mij dan maar de geringere theologische vaardigheden van de eerste paar eeuwen Christendom, als ik dan toch moet kiezen. Niet omdat die eerste eeuwen ideaal waren, maar wel omdat voor niemand het geloof in God, in Christus, in de Geest van God, in de noodzaak van verlossing, in de zondigheid van de mens, ter discussie stond.

Bovendien, Christus kennen wordt in de bijbel niet erg verbonden met bijbelkennis. Tegen zijn discipelen zegt hij dat hij ‘met hen is’ tot aan het einde. Was dat afhankelijk van bijbelkennis? Johannes schrijft zijn eerste brief ‘opdat u met ons gemeenschap hebt, en onze gemeenschap is met God...’ Dat was niet op grond van het bezitten van het Nieuwe Testament dus.

Bovendien gaat het in het Nieuwe Testament vaak niet zozeer over het geschreven woord, maar over het verkondigde woord. Het gesproken woord is dat waardoor we Christus leren kennen. Belangrijk kenmerk van het gesproken woord is dat het in de gemeenschap wordt gesproken. Samen met alle heiligen leren we Christus kennen.

Het was niet het geschreven Nieuwe Testament maar het gesproken woord van de apostelen, het getuigenis van Jezus dat ze doorgaven en interpreteerden, waardoor mensen Christus leerden kennen. Het idee dat de kerk van de eerste eeuwen Christus minder zou kennen dan wij vandaag de dag, vind ik zeer discutabel.

Voelt Piper zelf ook nattigheid? Het eigenaardige is dat hij zijn best doet om zijn argument toe te passen op de kerk van het jaar 100-300 AD. En daarvoor dan? Had de gemeente in Rome, of Korinthe, of Jeruzalem minder kennis van onze Heer Jezus dan wij, omdat ze toen nog niet het hele Nieuwe Testament hadden? Wat gebeurde er dan rond het jaar 100 waardoor de kerk toen minder in staat was Jezus echt te kennen? Hij suggereert: er leefde toen geen Apostel meer. Dus de aanwezigheid van de Apostelen was voor de kerk tot het jaar 100 de crux. Goed, maar er waren er maar 12, en de kerk was overal verspreid. Zelfs toen al moesten de meeste gemeenten het zonder het Nieuwe Testament en zonder de fysieke aanwezigheid van de apostelen stellen.

Het argument dat die oude Kerk het Nieuwe Testament niet had, is trouwens vrij discutabel. Nee, ze hadden geen mooi ingenaaid exemplaar, en misschien hadden niet alle kerken alle 27 boekjes. Maar we weten wel zeker dat al heel snel de meeste evangeliën en brieven van het Nieuwe Testament overal circuleerden. Menig kerkvader in de tweede eeuw citeert bijna alle 27 evangeliën en brieven van het Nieuwe Testament.

Waarom is Piper bang voor teveel eer voor die Oude Kerk? Is het misschien omdat zijn protestantse leer zo sterk op de bijbel als enige bron van leer en leven is gefixeerd, dat hij geen oog heeft voor het getuigenis van het levende Woord dat in de gemeenschap van gelovigen getrouw is doorgegeven? Ik pleit helemaal niet voor het aanvaarden van buiten-Bijbelse traditie als die tegen de Bijbel ingaat, maar wel voor het oog hebben van het Levende Woord, Jezus Christus, over wie de Oude Kerk getrouw heeft gesproken. En wiens getuigenis via de Apostelen, en vervolgens door mensen die door hen waren getraind (denk aan Timotheus en Titus!) weer door werd gegeven aan een volgende generatie kerkleiders.

En het was nota bene die Oude Kerk zelf die bepaalde welke geschriften van de Apostelen het erkende als Heilige Schrift en welke niet. Het luisterde naar die geschriften omdat die overeen kwamen met het Evangelie zoals dat door de apostelen was verkondigd en dat door de door hen aangestelde opvolgers werd doorgegeven. Een ander criterium had de Oude Kerk niet, en die apostolische successie is dus van centraal belang bij ons begrijpen van de Oude Kerk.

En ja, diezelfde gemeenschap van gelovigen plaatste zich ook onder het gezag van diezelfde geschriften die ze voor ‘apostolisch’ hield. Dat was een eigenaardig dialectisch proces. En omdat Piper dit niet incalculeert, is zijn benadering mijns inziens veel te modern. Alsof wij nu, omdat we de 27 boekjes van de apostelen met ons meedragen, een betere theologie hebben dan de kerk van toen; laat staan dat we Christus beter kennen.

Interessant hierbij is dat deze benadering van Piper (en de Reformatie) enorm dobbert op de uitvinding van de boekdrukkunst, en dat de Reformatie door de boekdrukkunst ook een andere theologische visie heeft gekregen. Ik denk dat het Christendom daarna veel meer een boekreligie was dan daarvoor.

Gregorius 1.1: Kerkelijk gezag alleen voor ervaren gelovigen

Gregorius de Grote:
Boek van Pastorale Regels


Rond het jaar 595 schreef Gregorius zijn Pastorale Handboek voor Kerkleiders. De komende weken hoop ik de wijsheden uit dat boekje hier te publiceren, ter lering van mezelf en misschien van anderen.

DEEL 1: Betreffende de kwalificaties van degene die tot een positie van geestelijk leiderschap komt

Para 1. Onervarenen moeten geen gezag krijgen
Niemand meent een kunst te kunnen onderwijzen welke hij zich niet eerst door studie eigen heeft gemaakt. Hoe dwaas is het dus voor onervaren mensen om geestelijk gezag te nemen terwijl de zorg voor de ziel de kunst der kunsten is. Want wie beseft niet dat de kwellingen van de ziel meer verborgen zijn dan de inwendige wonden van het lichaam? En toch, hoe vaak beweren zij die totaal onbekend zijn met geestelijke voorschriften, dat ze arts van het hart zijn, terwijl een ieder die onbekend is met de kracht van medicijnen zich te zeer zou generen om als arts van het lichaam gezien te worden.

Het idee dat onervaren gelovigen leiderschap in de kerk kregen, was nadat het Christendom snel begon te groeien als populaire godsdienst, niet onaanzienlijk. Wie tot de rijkere klasse behoorde kon besluiten kerkelijk carrière te maken toen de politiek en de kerk steeds meer vervlochten raakten na de ommekeer van keizer Constantijn. Gregorius waarschuwt hier tegen mensen die priester of bisschop worden zonder veel geestelijke bagage. Maar een goede kerkleider heeft ervaring nodig. Wat voor ervaring nodig is zal Gregorius later ontvouwen, maar hij doelt op het Christen-zijn, in studie van de Bijbel, in geestelijkheid, in gebed, en in pastoraal werk.
Door de wil van God is het zo dat een ieder in een positie van gezag in de huidige tijd, de neiging heeft om godsdienst serieus te eerbiedigen, maar er zijn velen die door de verleiding van gezag in de heilige Kerk jagen naar de glorie van de eer. Ze willen worden gezien als leraren en ze verlangen ernaar boven anderen te staan, precies zoals de Waarheid zegt: ‘ze zoeken de eerste plaatsen op feesten en de voornaamste zetel in de bijeenkomsten.’ Ze zijn des te meer onbekwaam om waardig te dienen in de taak van geestelijke zorg omdat ze tot de positie van het onderwijzen van nederigheid zijn gekomen louter door hun ijdelheid.

Dat is dus de klacht van Gregorius. Teveel kerkleiders zien dat ambt als een koestering van hun ijdelheid en als eervolle manier om gezag uit te oefenen. Maar hoe kan iemand die een baantjesjager is, anderen onderwijzen over nederigheid? Zo iemand is de verkeerde man op de verkeerde plaats.
De boodschap van de leraar wordt verward als de ene zaak wordt geleerd en het ander onderwezen.

Mooi gezegd. Wie nederigheid aan de kerk onderwijst maar het zelf niet is, leert zijn leerlingen geen nederigheid maar het omgekeerde.
Tegen zulke personen klaagt de Heer door de profeet, zeggende: ‘Ze hebben geheerst, maar niet door mij; ze zijn als vorsten bevestigd maar ik weet er niets van.’ Ze heersen door hun eigen gezag, niet door de wil van de opperste Heerser. Ze worden niet geschraagd door [hun] deugd noch door een goddelijke roeping, maar door het vuur van hun eigen hebzucht. In plaats van hun positie van geestelijk gezag te ontvangen, grijpen ze er naar. En toch, de inwendige Rechter is het die ze voorthelpt en ook oordeelt, omdat degenen die hij met zijn permissie tolereert, in het oordeel van de veroordeling niet zal kennen. [....] In essentie, klaagt de Waarheid dat Hij door hen niet gekend wordt en hij verklaart dat Hij het gezag niet erkent van hen die Hem niet kennen, want degenen die de Heer niet kennen, zijn door Hem niet gekend. [...]

Interessant dat Gregorius meldt dat het toch God is die zulke mensen ‘tolereert’. Immers, als dat niet zo was, zouden de door hun bediende sacramenten ook betekenisloos zijn. Zo ver is de Kerk nooit gegaan. Slechte ambtsdragers maken de sacramenten niet onwerkzaam. Het ambt blijft dus gerespecteerd, maar de ambtsdrager komt onder Gods oordeel. Om het wat anders te zeggen: je kunt in Gods Koninkrijk prachtig werk doen, maar om je innerlijk leven (of het gebrek eraan) onder Gods oordeel vallen. Wee ons. Wat zijn dat wel goede leiders? Ik zie hier drie aspecten: deugd, roeping van God, en gevraagd worden.
Deze onervarenheid van de herders valt, naar waarheid, vaak samen met de verdiensten van de leken; immers, hoezeer herders ook laakbaar zijn als ze niet het licht van de kennis hebben, het is [zo dat] zij die onwetend volgen, ook [zelf] overtreders worden. Om deze reden zegt de Waarheid zelf in het Evangelie: ‘Als de blinde de blinde leidt, vallen ze allebei in de put.’ [...]

Opvallend dat Gregorius hier ook de verantwoording bij de kudde legt. Zijn verwijt geldt de slechte herders, maar evengoed de kudde die zo’n herder tolereert. De oude kerk kende geen dictatoriale visie op leiderschap; de aanstelling van kerkleiders geschiedde vaak in samenspraak tussen de bisschoppen en de mensen die de kerkbanken en de collectezakken vulden.

vrijdag 21 januari 2011

Gregorius de Grote: advies aan geestelijke leiders

Ik heb het snode plan opgevat om de komende weken het Boek van Pastorale Regels van Paus Gregorius de Grote (AD 540-604) te lezen en alhier samen te vatten. In dat boek gaf hij aan leiders in de kerk advies over hoe ze hun leven moesten leiden. Hoewel Gregorius Paus van Rome was, werd zijn boekje ook in het oostelijke deel van het Christelijke Romeinse Rijk populair; het werd al snel in het Grieks vertaald. Het had grote invloed op de visie van de kerken in de oudheid op goed geestelijk leiderschap.

Welaan, daar kan ik, een slordige 1450 jaar later, vast ook baat bij hebben. En misschien sommigen van jullie ook.

Gregorius begon zijn carriere als prefect van Rome. In 574 nam hij zijn ontslag en hij verkocht zijn grote familiebezit. Zijn Romeinse landgoed maakte hij tot een klooster, waar hij als gewone monnik deel van uitmaakte. In 579 werd hij door Paus Pelagius II naar Constantionopel gestuurd om daar aan het hof van de keizer Pelagius te vertegenwoordigen. Hij moest daar ook tegelijk opkomen voor de militaire, politieke en economische belangen van Rome.

Gregorius verbleef zeven jaar in de oostelijke hoofdstad. Hij woonde daar in het Latijnse kwartier. Hij had veel tijd voor persoonlijke studie en pastoraal werk, omdat Constantinopel weinig tijd had voor Rome; het was in oorlog met de Perzen.

In 585 keerde Gregorius terug naar zijn klooster in Rome. Toen de Paus stierf, werd Gregorius gekozen als diens opvolger, hoewel hij daar zelf nogal wat nederige tegenzin voor leek te hebben gehad. Door zijn jaren in Constantinopel had Gregorius daar veel vrienden; voor de oecumene was dit heel behulpzaam. Nadat Gregorius zijn Boek van Pastorale Regels had geschreven, was de oostelijke keizer Mauritius daarvan zo onder de indruk dat hij het in Grieks liet vertalen om het boek aan alle bisschoppen in het oosten te geven.

Gregorius was een zeer dynamische en invloedrijke paus. Naast het dagelijks eten dat hij aan de armen van Rome gaf, en het herstellen van allerlei kerken en ook van de verdedigingswerken van de stad Rome, is hij ook bekend geworden door de re-introductie van het Roomse Christendom in Brittannie. Hij schreef veel hagiografie en exegese, en kreeg daarmee belangrijke invloed op het middeleeuwse Christendom. Maar met zijn Boek van Pastorale Regels kreeg hij de meeste invloed; hij vormde daarmee het geestelijke leiderschap van het vroeg-middeleeuwse Europa. En misschien ook wel van een paar snuiters in 2011 in Nederland en Egypte.